ECLI:NL:PHR:2011:BQ7056

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00241
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 1 KadasterwetArt. 52 lid 2 OwArt. 53 lid 1 OwArt. 54f OwArt. 54i lid 1 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late betekening bij vervroegde onteigening

Eisers hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch waarin vervroegde onteigening werd uitgesproken. Zij hebben de cassatieverklaring tijdig afgelegd, maar de cassatiedagvaarding is pas na het verstrijken van de verkorte termijn van twee weken betekend.

De Staat heeft daarom niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep bepleit, stellende dat de cassatiedagvaarding te laat is uitgebracht conform de bepalingen van de Onteigeningswet. Eisers voerden onder meer aan dat het vonnis niet als vervroegde onteigening moest worden aangemerkt en dat het ontvankelijkheidsverweer onvoldoende gemotiveerd was.

De Hoge Raad oordeelt dat het vonnis wel degelijk een vervroegde onteigening betreft en dat de verkorte termijn van toepassing is. De cassatiedagvaarding is te laat betekend, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Ook het argument dat het vonnis met schending van een fundamenteel rechtsbeginsel is gewezen, leidt niet tot een ander oordeel.

Verder verduidelijkt de Hoge Raad dat indien de cassatieverklaring niet tijdig wordt betekend, het vonnis alsnog kracht van gewijsde krijgt en inschrijving van het onteigeningsvonnis mogelijk is na het verstrijken van de termijn, conform de Onteigeningswet.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van eisers niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn voor betekening van de cassatiedagvaarding.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betekening van de cassatiedagvaarding.

Conclusie

11/00241
Mr L. Strikwerda
Zt. 27 mei 2011
conclusie inzake
1. [Eiser 1]
2. [Eiser 2]
3. [Eiser 3]
tegen
de Staat der Nederlanden
Edelhoogachtbaar College,
1. Eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., hebben bij exploot van 4 januari 2011 aan verweerder in cassatie, hierna: de Staat, betekend een afschrift van een akte, opgemaakt door de griffier van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 november 2010, blijkens welke akte beroep in cassatie is ingesteld tegen het onteigeningsvonnis van genoemde rechtbank van 10 november 2010, gewezen tussen de Staat als eiser en [eiser] c.s. als gedaagden. Bij het exploot is de Staat tevens gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 21 januari 2011.
2. De Staat heeft bij conclusie van antwoord primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep geconcludeerd.
3. [Eiser] c.s. hebben bij conclusie van antwoord in het incident m.b.t. ontvankelijkheid het door de Staat aangevoerde ontvankelijkheidsverweer bestreden.
4. Vervolgens hebben partijen stukken gefourneerd voor arrest in het ontvankelijkheidsincident.
5. De Staat heeft zijn beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep gegrond op de omstandigheid dat de cassatiedagvaarding niet tijdig zou zijn uitgebracht. Daartoe heeft de Staat gesteld dat hij bij de inleidende dagvaarding bij vervoeging een uitspraak over de onteigening heeft gevorderd, zodat het hier gaat om een geval als bedoeld in art. 54f Onteigeningswet (Ow). Gelet op het bepaalde in art. 54l lid 1 jo. art. 53 lid 1 Ow Pro bedraagt de termijn in dat geval twee plus twee weken: uiterlijk binnen twee weken na de datum van het vonnis dient de verklaring inhoudende dat cassatieberoep wordt ingesteld te worden afgelegd en binnen twee weken na het verstrijken van de termijn voor het afleggen van die verklaring dient de cassatiedagvaarding uiterlijk te worden betekend. De termijn verstreek derhalve op 9 december 2010, zodat de cassatiedagvaarding, die pas op 4 januari 2011 is betekend, te laat is betekend, aldus de Staat.
6. [Eiser] c.s. hebben het ontvankelijkheidsverweer van de Staat op verschillende gronden bestreden. Zij hebben in de eerste plaats aangevoerd dat de conclusie van antwoord, waarbij de Staat zich heeft beroepen op de niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep, niet voldoet aan het bepaalde bij art. 411 Rv Pro, zoals dit artikel sinds 1 januari 2011 na de wijziging bij de Wet van 30 september 2010, Stb. 715, luidt, nu de conclusie geen enkele motivering bevat met betrekking tot de conclusie tot verwerping van het beroep. Voorts hebben [eiser] c.s. aangevoerd dat het vonnis van de rechtbank niet is aan te merken als een vonnis houdende vervroegde onteigening als bedoeld in art. 54i lid 1 Ow waarop het bepaalde bij art. 54l lid 1 Ow van toepassing is te achten, aangezien in het dictum van het vonnis niet de vervroegde onteigening is uitgesproken. Ten slotte hebben [eiser] c.s aangevoerd dat het bestreden vonnis is gewezen met schending van een fundamenteel rechtsbeginsel en dat dit tot gevolg heeft dat het vonnis niet kan worden aangemerkt als een vonnis houdende vervroegde onteigening. Daarom is niet de verkorte termijn van art. 54l lid 1 Ow van toepassing, maar de gewone termijn van art. 53 lid 1 Ow Pro, aldus [eiser] c.s.
7. Het ontvankelijkheidsverweer is door de Staat naar mijn oordeel terecht voorgesteld.
8. [Eiser] c.s. hebben op 22 november 2010, derhalve tijdig (art. 52 lid 2 Ow Pro), de verklaring omtrent het instellen van beroep in cassatie ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch afgelegd. Ingevolge art. 53 lid 1 Ow Pro dient deze verklaring binnen zes weken na afloop van de in art. 52 lid 2 Ow Pro bedoelde termijn van twee weken met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij te worden betekend, vergezeld van een dagvaarding tegen de eerste terechtzitting, welke na verloop van twee weken na de betekening plaatsvindt. Gaat het om een vonnis waarbij op de voet van de regeling in Afdeling 2 van Hoofdstuk IIIA van Titel I (art. 54f e.v.) van de Onteigeningswet vervroegde uitspraak over de onteigening is gedaan, dan zijn ingevolge art. 54l lid 1 Ow de artt. 52 en 53 Ow van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in het eerste lid van art. 53 Ow Pro genoemde termijn (de termijn waarbinnen de betekening van de verklaring moet plaatsvinden) is verkort en slechts twee weken bedraagt.
9. Het vonnis van de rechtbank is een vonnis als bedoeld in art. 54i Ow, nu daarbij de vordering van de Staat tot het uitspreken van de onteigening bij vervroeging met bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling is toegewezen. Anders dan [eiser] c.s. aanvoeren, doet daaraan niet af dat in het dictum van het vonnis niet vermeld is dat de onteigening bij vervroeging wordt uitgesproken. Zie HR 20 mei 2011, 10/04523, LJN: BP4803.
10. Dit brengt mee dat ingevolge art. 54l lid 1 Ow de in art. 53 lid 1 Ow Pro bedoelde termijn twee weken bedraagt. Het vonnis is uitgesproken op 10 november 2010 zodat de cassatietermijn verstreek tweemaal twee weken na 10 november 2010, derhalve op 8 december 2010. De cassatiedagvaarding is op 4 januari 2011 aan de Staat betekend. Het cassatieberoep is dus te laat ingesteld, zodat [eiser] c.s. in hun cassatieberoep niet kunnen worden ontvangen.
11. De omstandigheid dat de conclusie van antwoord van de Staat niet zou voldoen aan het bepaalde bij art. 411 Rv Pro, zoals [eiser] c.s. stellen, leidt niet tot een ander oordeel. De termijn voor het instellen van cassatie is immers van openbare orde, zodat de niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding ambtshalve wordt uitgesproken, ook indien de verweerder zich daarop niet of niet regelmatig heeft beroepen. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 65.
12. De omstandigheid dat het bestreden vonnis zou zijn gewezen met schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, zoals [eiser] c.s. aanvoeren, kan evenmin afdoen aan het oordeel dat [eiser] c.s. in hun cassatieberoep niet kunnen worden ontvangen. Voor de door [eiser] c.s. verdedigde opvatting dat niet de verkorte termijn van art. 54l lid 1 Ow, maar de gewone termijn van art. 53 lid 1 OW Pro geldt, indien een vonnis waarbij de onteigening bij vervroeging is uitgesproken met schending van een fundamenteel rechtsbeginsel is gewezen, is in de Onteigeningswet of elders in het recht geen steun te vinden.
13. De slotsom is dat [eiser] c.s. de cassatiedagvaarding te laat aan de Staat hebben betekend en derhalve in hun cassatieberoep niet kunnen worden ontvangen.
14. De Staat heeft in zijn conclusie van antwoord onder 3.1 en 3.2 de Hoge Raad verzocht zich uit te laten over een vraag met betrekking tot de inschrijving van het onteigeningsvonnis in gevallen waarin, zoals in het onderhavige geval, een verklaring als bedoeld in art. 54l lid 1 jo. art. 52 Ow Pro is afgelegd, zonder dat binnen de dagvaardingstermijn van art. 54l lid 1 Ow een cassatiedagvaarding is betekend. De vraag is of inschrijving van het onteigeningsvonnis in dat geval mogelijk zodra de dagvaardingstermijn van art. 54l lid 1 Ow is verstreken en of inschrijving van dat vonnis ook nog mogelijk is binnen twee maanden nadat door de Hoge Raad is bepaald dat het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen.
15. In het reeds genoemde arrest van 20 mei 2011, 10/04523, LJN: BP4803, heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien de ter griffie van de rechtbank afgelegde cassatieverklaring niet binnen de in art. 54l bepaalde termijn van twee weken aan de tegenpartij wordt betekend met ontwikkeling van de gronden der cassatie en vergezeld van dagvaarding, het vonnis van vervroegde onteigening alsnog in kracht van gewijsde gaat, "met alle in art. 54m Ow geregelde gevolgen van dien". Naar mijn lezing betekent dit dat inschrijving van het onteigeningsvonnis mogelijk is daags nadat de dagvaardingstermijn van art. 54l lid 1 Ow is verstreken, dat voor de inschrijving de termijn geldt, bedoeld in art. 54m lid 1, 2 of 3 Ow, en dat, indien geen inschrijving plaatsvindt binnen die termijn, het bepaalde in de artt. 55 lid 2 of 59 Ow geldt (art. 54m lid 4 Ow).
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] c.s in hun cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,