ECLI:NL:PHR:2011:BQ7975

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04767 J
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 328 SvArt. 331 SvArt. 415 SvArt. 330 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek in strafzaak over wederspannigheid en niet voldoen aan bevel

In deze strafzaak is verzoeker door het Hof Arnhem veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een wettelijk bevel en wederspannigheid. Tijdens het hoger beroep heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek ingediend om bepaalde getuigen te horen, waaronder de portier en eigenaar van de discotheek, en de betrokken verbalisanten. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen met de motivering dat het onvoldoende onderbouwd was en dat er geen noodzaak was om deze getuigen te horen.

De verdediging stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek om de portier en eigenaar van de discotheek te horen en dat de afwijzing van het verzoek omtrent de verbalisanten onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het verzoek onvoldoende onderbouwd was en dat de noodzaak tot het horen van de verbalisanten niet bleek uit het dossier. Hoewel het Hof niet expliciet op het verzoek omtrent de portier en eigenaar is ingegaan, leidt dit tot nietigheid volgens art. 330 jo Pro. 415 Sv, maar de Hoge Raad acht dit verzuim niet voldoende om het cassatieberoep te honoreren, omdat het Hof de afwijzing op dezelfde gronden had kunnen baseren.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het Hof Arnhem. De strafoplegging bestond uit een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie, met bijzondere voorwaarden waaronder toezicht door de Jeugdreclassering. De zaak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij afwijzing van getuigenverzoeken en de gevolgen van nietigheid bij het nalaten daarvan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Arnhem bevestigd.

Conclusie

Nr. 09/04767 J
Mr. Hofstee
Zitting: 31 mei 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft verzoeker bij arrest van 16 november 2009 wegens "1. het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht en belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" en "2. wederspannigheid, meermalen gepleegd", veroordeeld tot 40 uren werkstraf (subsidiair 20 dagen jeugddetentie), waarvan 20 uren werkstraf (subsidiair 10 dagen jeugddetentie) voorwaardelijk. Daarbij heeft het Hof als bijzondere voorwaarde gesteld dat verzoeker onder toezicht van de Jeugdreclassering wordt gesteld, een en ander zoals in het bestreden arrest bepaald.
2. Namens verzoeker heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, bevat de klacht dat het Hof op het gemotiveerd voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen ten onrechte niet is ingegaan voor zover het de portier en de eigenaar van de discotheek betreft en dat verzoek ten onrechte dan wel onvoldoende (begrijpelijk) heeft afgewezen ten aanzien van de betrokken verbalisanten.
4. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van het Hof van 2 november 2009 heeft de raadsman van verzoeker het woord tot verdediging gevoerd en daarbij het volgende aangevoerd:
"Ik refereer mij aan uw oordeel wat betreft de vraag of de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen zijn. Mijn pleidooi is gericht op de strafmaat.
Ik verzoek u rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van cliënt en de omstandigheden waaronder de ten laste gelegde feiten zijn begaan. De politie heeft disproportioneel geweld toegepast. Cliënt is door meerdere agenten aangehouden waarbij excessief geweld is toegepast. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de impact van de aanhouding en het letsel dat mijn cliënt daarbij heeft opgelopen. Dat vind ik kwalijk.
Ik verzoek u voorts om rekening te houden met de omstandigheid dat de politie verzuimd heeft om de ouders van cliënt op de hoogte te brengen van zijn aanhouding.
Tot slot doe ik - indien uw hof van oordeel is dat aan cliënt een straf opgelegd moet worden - een voorwaardelijk verzoek tot het horen van betrokken verbalisanten alsmede de portier en de eigenaar van de discotheek.
Mocht uw hof van oordeel zijn dat de zaak afgehandeld kan worden, bepleit ik dat, gelet op de door mij aangevoerde omstandigheden, volstaan zou kunnen worden met de oplegging van een voorwaardelijke werkstraf."
5. Het bestreden arrest van het Hof houdt in het kader van de strafmotivering onder meer de volgende overweging in:
"Door de raadsman is ter terechtzitting bepleit dat de verbalisanten disproportioneel geweld hebben toegepast bij de aanhouding van zijn cliënt hetgeen volgens de raadsman verdisconteerd moet worden in de op te leggen straf. De raadsman doet, voor zover het hof met deze omstandigheid geen rekening houdt, een voorwaardelijk verzoek tot het horen van agenten die cliënt hebben aangehouden.
Het hof ziet geen aanleiding om bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met het door de raadsman en verdachte gestelde disproportionele optreden van de verbalisanten. Uit het proces-verbaal van de politie maakt het hof op dat betrokken verbalisanten geweld moesten toepassen om verdachte onder controle te kunnen krijgen. Dat daarbij sprake is geweest van disproportioneel geweld blijkt echter niet. Het verzoek van de raadsman - ter gelegenheid van zijn pleidooi naar voren gebracht - om de betrokken verbalisanten als getuigen te horen acht het hof onvoldoende onderbouwd. De noodzaak daartoe is het hof ook ambtshalve niet gebleken."
6. Voor zover het middel de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de betrokken verbalisanten betreft, is het tevergeefs voorgesteld. De omvang van de responsieplicht in de zin van art. 330 Sv Pro verschilt immers al naar gelang de inhoud van hetgeen is aangevoerd of verzocht. Aangezien de raadsman bij zijn verzoek niet heeft aangevoerd waarom het horen van de betrokken verbalisanten noodzakelijk was, heeft het Hof de afwijzing daarvan toereikend met redenen omkleed door te overwegen dat het verzoek onvoldoende onderbouwd was en de noodzaak tot het horen van de betrokken verbalisanten niet is gebleken.
7. Voor zover het middel het oog heeft op de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de portier en de eigenaar van de discotheek, is het op zichzelf bezien terecht voorgesteld. Kennelijk heeft het Hof ook dit verzoek afgewezen zonder evenwel daaraan een woord te wijden. Dat heeft ingevolge art. 330 Sv Pro nietigheid tot gevolg. Ik meen echter dat het verzuim van het Hof in dit geval niet tot cassatie behoeft te leiden, nu het Hof de (kennelijke) afwijzing van het onderhavige verzoek had kunnen gronden op dezelfde toereikende overwegingen waarmee het Hof het hierboven onder 6 besproken verzoek heeft afgewezen.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
9. Ambtshalve gronden waarop de Hoge Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G