ECLI:NL:PHR:2011:BQ8105

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01820
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en verrekening belastingaanslag 2001

Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2003 gescheiden. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vindt plaats met peildatum 1 januari 2002. Een geschilpunt betreft een belastingaanslag over 2001 die aan de man is opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de aanslag van €13.352,- door de man is voldaan en dat de vrouw de helft daarvan aan hem moet betalen.

De vrouw ging in hoger beroep, maar het hof verklaarde haar in een deel niet-ontvankelijk en bekrachtigde het eindvonnis. De vrouw stelde dat de aanslag was teruggebracht tot nihil door een brief van de belastingdienst uit 2007, waarin een vermindering van de aanslag werd gemeld vanwege een verliesrekening uit 2004. Het hof verwierp deze stelling omdat de brief niet was ingebracht ter onderbouwing van die claim en omdat de verrekening een achterwaartse verrekening betrof.

De Hoge Raad bevestigt dat de aanslag binnen de gemeenschap valt en tussen partijen verrekend moet worden. De verrekening van de aanslag met een later verlies uit 2004 betekent dat de schuld ten laste van het eigen vermogen van de man is voldaan, zodat de vrouw haar deel moet betalen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de belastingaanslag over 2001 verrekend moet worden binnen de huwelijksgoederengemeenschap en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

10/01820
Mr L. Strikwerda
Zt. 10 juni 2011
conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft de verdeling van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. In cassatie gaat het om de vraag of een aan de man opgelegde belastingaanslag in het kader van de verdeling tussen partijen verrekend dient te worden.
2. In cassatie dient van het volgende te worden uitgegaan (zie r.o. 4.1 van het arrest van het hof en r.o. 2.1 en 2.2 van het tussenvonnis van de rechtbank van 11 oktober 2006).
(i) Partijen (hierna: de vrouw en de man) zijn op 27 juni 1985 in de gemeente Rotterdam met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
(ii) Bij beschikking d.d. 19 februari 2003 heeft de rechtbank Breda de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 3 oktober 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(iii) Partijen zijn overeengekomen dat als peildatum voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal worden uitgegaan van 1 januari 2002
3. Partijen hebben over en weer (de vrouw in conventie, de man in reconventie) voor de rechtbank Breda verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gevorderd.
4. Voor zover thans in cassatie nog van belang houdt partijen verdeeld of een aan de man opgelegde belastingaanslag over het jaar 2001 in de gemeenschap valt en in het kader van de verdeling tussen partijen verrekend dient te worden.
5. Bij haar (tweede) tussenvonnis van 11 oktober 2006 heeft de rechtbank met betrekking tot dit geschilpunt overwogen:
"4.15. De man heeft aangevoerd dat over het jaar 2001 aan hem een aanslag door de belastingdienst is opgelegd van Euro 14.367,-. Voornoemd bedrag heeft de man voldaan en dient derhalve tussen partijen verrekend te worden, aldus de man.
4.16. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat uit de door de man overgelegde producties blijkt dat het een voorlopige aanslag betreft. Nu de man stelt dat de aan hem opgelegde aanslag geen voorlopige aanslag betreft, stelt de rechtbank de man alsnog in de gelegenheid om de definitieve aanslag te overleggen alsmede stukken waaruit blijkt dat hij deze (volledig) heeft voldaan. De zaak zal met dat doel naar de rol worden verwezen voor akte."
6. Nadat de man bij akte tevens houdende vermindering van eis stukken had overgelegd, heeft de rechtbank bij haar eindvonnis van 21 maart 2007 ten aanzien van de belastingaanslag overwogen:
"2.2. Bij akte heeft de man zijn vordering met betrekking tot de belastingaanslag verminderd in die zin dat die aanslag niet Euro 14.367,- maar Euro 13.352,- bedraagt. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man een brief van [betrokkene 1] (administratiekantoor [A]) d.d. 12 december 2006 in het geding gebracht, in welke brief melding wordt gemaakt van aan de man opgelegde belastingaanslagen over de periode tot en met 2001, welke aanslagen in totaal een bedrag van Euro 13.352,- belopen. Voorts heeft de man onderliggende bescheiden overgelegd.
2.3. De vrouw heeft op deze stellingen en bescheiden niet (tijdig) gereageerd. De rechtbank acht met de door de man overgelegde stukken voldoende aangetoond dat de man over de periode tot en met 2001 voor een bedrag van Euro 13.352,- door de belasting is aangeslagen, welk bedrag door de man is voldaan. De vrouw dient de helft van dit bedrag aan de man te betalen."
7. De vrouw is van de tussenvonnissen en het eindvonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, doch tevergeefs: bij arrest van 8 december 2009 is de vrouw door het hof niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep van het eerste tussenvonnis, terwijl het tweede tussenvonnis en het eindvonnis door het hof werden bekrachtigd.
8. Met betrekking tot de grief van de vrouw tegen de beslissing van de rechtbank inzake de belastingaanslag (grief 4) overwoog het hof onder meer:
"4.5.2. De rechtbank heeft haar beslissing gegrond op de brief met bijlagen van het administratiekantoor [A] van 12 december 2006. Daarin staat onder meer:
'Hieruit kan geconcludeerd worden dat per 31 december 2001 het openstaande bedrag aan aanslagen Euro 7.747 bedroeg. Na 31 december 2001 zijn er over de periode van voor deze datum nog een aantal aanslagen opgelegd voor een totaal bedrag van Euro 5.605. (...)
Het totale bedrag van de boedel over de periode t/m 2001 bedraagt hierdoor Euro 13.352.'
4.5.3. De vrouw voert aan dat zij uit de bedoelde brief heeft opgemaakt dat het bedrag van Euro 14.367,- is teruggebracht tot nihil. Het hof kan deze, verder niet onderbouwde stelling niet volgen. De brief van 12 december 2006 wijst duidelijk in een andere richting."
9. De vrouw is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. De man is in cassatie niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.
10. Onderdeel 1a van het middel bestrijdt het oordeel van het hof - in r.o. 4.5.3 - dat de vrouw haar stelling dat het bedrag van de aan de man opgelegde belastingaanslag over 2001 is teruggebracht van Euro 14.367,- tot nihil, verder niet heeft onderbouwd. Volgens het onderdeel is dit oordeel kennelijk onjuist en, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de door de vrouw overgelegde brief van de belastingdienst d.d. 20 juli 2007, welke brief onder meer inhoudt:
"Uw ex-partner heeft op 20 juli 2007 een vermindering definitieve aanslag 2001 ontvangen naar aanleiding van een verliesrekening 2004. De verschuldigde belasting van uw partner - na aftrek van de gecombineerde heffingskorting - is daardoor vastgesteld op nihil."
11. Het onderdeel kan m.i. om twee redenen niet tot cassatie leiden.
12. De eerste reden is dat het hof heeft geoordeeld dat de vrouw haar stelling dat het bedrag van de aanslag van Euro 14.367,- is teruggebracht tot nihil heeft gegrond op (uitsluitend) de brief van het administratiekantoor [A] d.d. 12 december 2006. Dit oordeel berust op een door het hof aan de gedingstukken gegeven uitleg en kan, feitelijk als het is, in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel stelt dat ook niet) dat de vrouw ter ondersteuning van haar stelling dat het bedrag van de aanslag is teruggebracht op nihil een beroep heeft gedaan op de brief van de belastingdienst d.d. 20 juli 2007. De vrouw heeft deze brief blijkens haar toelichting op grief 4 kennelijk slechts overgelegd ter ondersteuning van haar stelling dat de belastingdienst van plan is haar een belastingaanslag op te leggen van Euro 1.576,-. Niet onbegrijpelijk heeft het hof de brief dan ook slechts in dat verband in zijn beoordeling betrokken (r.o. 4.5.4).
13. Het onderdeel moet in de tweede plaats falen wegens gebrek aan belang. Ook indien het hof ervan had moeten uitgaan dat de vrouw ter ondersteuning van haar stelling dat de aan de man opgelegde belastingaanslag over 2001 is teruggebracht tot nihil, een beroep heeft gedaan op de brief van de belastingdienst d.d. 20 juli 2007, had dit niet tot een ander oordeel kunnen leiden dan dat de belastingaanslag tussen partijen verrekend dient te worden. Dit kan als volgt worden toegelicht.
14. Uit de brief van de belastingdienst d.d. 20 juli 2007 blijkt dat de vermindering van de definitieve aanslag over 2001 en de vaststelling van de verschuldigde belasting over dat jaar op nihil berust op verrekening met een verlies over 2004. Het gaat hier om een zogenoemde 'achterwaartse verrekening'; verlies kan worden verrekend met de inkomens van drie voorafgaande kalenderjaren waarbij als (gedwongen) volgorde geldt dat eerst verrekening plaatsvindt met het inkomen van het oudste kalenderjaar (dus drie jaar terug). Zie E.J.W. Heithuis, P. Kavelaars en B.F. Schuver, Inkomstenbelasting, 6e dr. 2010, blz. 71/72; Kluwer Belastinggids 2007, Deel VIII, Verliesrekening, 29.2.3.
15. De vóór de peildatum voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ontstane belastingschuld is derhalve gedelgd met een ná die peildatum aan de zijde van de man opgekomen verrekenbaar verlies. Dit betekent dat de tot de gemeenschap behorende belastingschuld is voldaan ten laste van het eigen vermogen van de man. Ook indien het hof bij de beoordeling van de bedoelde stelling van de vrouw de inhoud van de brief van de belastingdienst d.d. 20 juli 2007 in aanmerking had genomen, had het derhalve niet anders kunnen beslissen dan dat de belastingschuld tussen partijen verrekend dient te worden.
16. Onderdeel 1b van het middel verwijt het hof voorbij te zijn gegaan aan de - volgens het onderdeel van wezenlijk belang zijnde - stelling van de vrouw dat de tot de te verdelen boedel behorende belastingschuld is teruggebracht tot nihil.
17. Het verwijt mist feitelijke grondslag. Het hof is blijkens r.o. 4.5.3 aan de door het onderdeel bedoelde stelling niet voorbijgegaan, maar heeft de stelling verworpen.
18. Voor zover het onderdeel (tevens) wil betogen dat deze verwerping in het licht van de meergenoemde brief van de belastingdienst d.d. 20 juli 2007 niet naar behoren is gemotiveerd, herhaalt het een klacht die reeds door onderdeel 1a werd aangevoerd en die naar mijn oordeel niet kan slagen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,