ECLI:NL:PHR:2011:BQ8108

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05219
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 ROArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaald gebleven premies personenautoverzekering afgewezen wegens onvoldoende ondertekening bewijsstukken

Eiser stelde cassatieberoep in tegen een vonnis van de kantonrechter dat hem veroordeelde tot betaling van een bedrag van €249,42 aan Univé wegens onbetaald gebleven premies van een personenautoverzekering.

Univé was niet verschenen in cassatie en tegen haar was verstek verleend. Het cassatieberoep richtte zich op het oordeel van de kantonrechter dat Univé het verweer van eiser deugdelijk had weersproken met formulieren die eiser niet zou hebben ondertekend en waarvan persoonsgegevens niet overeenstemden.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet tot cassatie kon leiden omdat het beroep was ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter en cassatie wegens schending van het recht in die gevallen in beginsel is uitgesloten. Bovendien was het betoog van eiser dat de formulieren niet waren ondertekend en persoonsgegevens niet klopten een nieuw feit dat niet in de eerdere procedure was ingebracht, waardoor het beroep faalde.

De conclusie van de Procureur-Generaal was daarom dat het cassatieberoep verworpen moet worden met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot betaling van onbetaalde premies blijft gehandhaafd.

Conclusie

10/05219
Mr L. Strikwerda
Zt. 10 juni 2011
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
N.V. Univé Schade
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan de Rijn, (hierna: de kantonrechter) van 17 augustus 2010, waarbij [eiser] op vordering van thans verweerster in cassatie (hierna: Univé) is veroordeeld tot betaling aan Univé van een bedrag van Euro 249,42, met rente en kosten, in verband met onbetaald gebleven premies ter zake van een personenautoverzekering.
2. Univé is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
3. Het cassatieberoep berust op één middel. Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Het middel komt op tegen het oordeel van de kantonrechter - in r.o. 2.4 - dat "Univé bij conclusie van repliek het door [eiser] bij antwoord gevoerde verweer deugdelijk en gemotiveerd weersproken heeft en de juistheid van haar stellingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt". Het middel acht dit oordeel onbegrijpelijk en onjuist, omdat de kantonrechter zijn oordeel heeft gebaseerd op een door Univé bij conclusie van repliek overgelegd aanvraagformulier en een cliënt-informatieformulier, terwijl deze formulieren volgens het middel niet door [eiser] zijn ondertekend en de in de formulieren opgenomen persoonsgegevens op onderdelen niet overeenstemmen met de persoonsgegevens van [eiser].
5. Voor zover het middel het gewraakte oordeel van de kantonrechter beoogt te bestrijden met een rechtsklacht, moet het reeds falen, omdat ingevolge art. 80 RO Pro cassatie van een vonnis van de kantonrechter wegens schending van het recht, behoudens een uitzondering die hier niet van toepassing is (zie HR 16 maart 2007, LJN: AZ1490, RvdW 2007, 307), uitgesloten is.
6. Voor zover het middel met een motiveringsklacht opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter, kan het evenmin doel treffen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat [eiser] in de procedure voor de kantonrechter de stelling heeft betrokken dat de door Univé overgelegde formulieren niet door [eiser] zijn ondertekend en dat de daarin opgenomen persoonsgegevens op onderdelen niet overeenstemmen met de persoonsgegevens van [eiser]. De klacht berust derhalve op een ontoelaatbaar novum in cassatie en is daarom tevergeefs voorgesteld. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 137.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,