ECLI:NL:PHR:2011:BQ8135
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging kinder- en partneralimentatie na ontslag en inkomensdaling man
Het huwelijk van partijen werd op 31 december 2003 ontbonden. Bij beschikking van 12 januari 2006 werd vastgesteld dat de man een bijdrage moest leveren voor de verzorging en opvoeding van twee kinderen en een partneralimentatie aan de vrouw.
Na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2008 ontving de man een ontslagvergoeding die hij investeerde in een stamrecht-BV en een dochtervennootschap, waarmee hij een vervoersbedrijf wilde starten. Dit mislukte, waarna hij een leaseauto aanschafte. De man verzocht op grond van art. 1:401 lid 1 BW Pro om de alimentatie te verlagen naar nihil.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de inkomensdaling door de man zelf was veroorzaakt en herstelbaar was, waarbij rekening werd gehouden met een maandelijkse aanvulling uit de ontslagvergoeding. Het hof stelde de partneralimentatie op nihil, maar handhaafde de kinderalimentatie.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen het oordeel dat de man geen draagkracht meer had voor partneralimentatie. De Hoge Raad verwierp het beroep, overwegende dat het hof terecht rekening hield met de ontslagvergoeding en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. De man wordt geacht draagkracht te hebben voor kinderalimentatie, maar niet voor partneralimentatie.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de man draagkracht heeft voor kinderalimentatie maar niet voor partneralimentatie.