ECLI:NL:PHR:2011:BQ8782
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag wegens onaanvaardbaar risico voor kinderen
De rechtbank Arnhem sprak in 2005 de echtscheiding uit tussen de vader en moeder, die gezamenlijk het gezag over hun drie minderjarige kinderen bleven uitoefenen. Sinds hun scheiding is er echter een voortdurende strijd tussen de ouders, waarbij constructieve communicatie over opvoedingszaken ontbreekt. Het hof constateerde dat deze situatie een onaanvaardbaar risico oplevert dat de kinderen klem of verloren raken tussen hun ouders.
Daarnaast bleek uit sms-berichten dat de vader de moeder belemmerde bij het verkrijgen van paspoorten voor de kinderen, wat het hof niet in het belang van de kinderen achtte. De vader stelde dat gezamenlijk gezag met de moeder voor hem niet mogelijk was.
Op grond van art. 1:251a lid 1 BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd indien er een onaanvaardbaar risico is voor het kind of indien wijziging anderszins in het belang van het kind is. Het hof oordeelde dat aan deze criteria was voldaan en kende het gezag toe aan de moeder.
De vader stelde in cassatie dat het hof te snel had geoordeeld en onvoldoende rekening had gehouden met de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. De Hoge Raad verwierp deze klachten omdat het hof de juiste maatstaf had toegepast, de motivering voldoende was en de klachten niet aan de vereisten van art. 426a lid 2 Rv voldeden.
De Hoge Raad bevestigde dat beëindiging van gezamenlijk gezag niet automatisch het contact tussen de kinderen en de ouder zonder gezag beëindigt, aangezien die ouder recht op omgang behoudt. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de moeder toegewezen.