ECLI:NL:PHR:2011:BQ9851
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot vervangende toestemming verkoop echtelijke woning bij echtscheiding
Partijen zijn in 1980 op huwelijkse voorwaarden gehuwd en de vrouw is eigenaar van meerdere onroerende zaken, waaronder de echtelijke woning. Na de echtscheiding in januari 2009 vroeg de vrouw vervangende toestemming voor verkoop van de woning omdat de bank haar had verzocht eerst de minst rendabele panden te verkopen. De man, die de woning bewoont, weigerde toestemming te geven.
De rechtbank verleende op 16 december 2009 de gevraagde toestemming en het hof bekrachtigde deze beslissing in juni 2010. De man stelde in cassatie meerdere klachten over de feitelijke vaststellingen en de procedure, waaronder dat het hof ambtshalve feiten had aangevuld en dat hij niet voldoende was gehoord over de financiering van de aankoop.
De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het hof had het standpunt van de vrouw gevolgd dat de woning niet rendabel was omdat de man geen vergoeding betaalde. De stellingen van de man over financiering en taxatie werden door het hof gemotiveerd verworpen. Ook was de man voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunten te uiten. De Hoge Raad bevestigde dat het hof niet gebonden was aan de parallelprocedure en dat de waardering van feiten in cassatie niet kan worden getoetst.
De conclusie van de Procureur-Generaal was om het cassatieberoep te verwerpen, waarmee de eerdere beslissingen stand hielden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de vervangende toestemming voor verkoop van de echtelijke woning blijft in stand.