ECLI:NL:PHR:2011:BR0117
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap bij onbetaalde koopsom woning in Spanje
De vrouw en de man zijn in 1995 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2009 gescheiden. De man stelde dat een woning in Spanje, gekocht van de tante, onderdeel was van de huwelijksgoederengemeenschap, maar dat de koopprijs van €150.000 niet was betaald en omgezet in een lening. De vrouw betwistte dit en stelde dat de tante de woning aan partijen had geschonken, waarbij de koopsom was kwijtgescholden.
De rechtbank kende de woning toe aan de man, zonder verrekening van de schuld, omdat de schuld niet was komen vast te staan. Het hof vernietigde dit en bepaalde dat de woning aan een derde moest worden verkocht en de opbrengst gelijk verdeeld, waarbij de schuld van €150.000 aan de nalatenschap van de tante moest worden afgelost. Het hof legde de bewijslast van de kwijtschelding bij de vrouw.
In cassatie werd betoogd dat het hof de regels van stelplicht en bewijslast verkeerd had toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het tussen partijen vaststond dat de koopprijs niet was betaald en dat daarom een schuld bestond die tot de gemeenschap behoorde, tenzij de vrouw kwijtschelding kon bewijzen. De bewijslast lag terecht bij de vrouw. Het hof had de vraagstelling weliswaar beperkt geformuleerd, maar had de feiten en omstandigheden ruimer betrokken. Het bewijsaanbod van de vrouw werd terecht niet toegelaten wegens onvoldoende feitelijke grondslagen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de schuld van €150.000 tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort en de bewijslast van kwijtschelding bij de vrouw ligt.