ECLI:NL:PHR:2011:BR2104

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00002
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bezit cocaïne en witwassen ondanks betwisting motivering

In deze zaak is de verdachte door het gerechtshof veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens bezit van 192 gram cocaïne en witwassen van een geldbedrag. De verdediging stelde twee middelen van cassatie voor: een klacht over overschrijding van de inzendtermijn en een klacht over de onbegrijpelijke motivering van de bewezenverklaring van witwassen.

De Hoge Raad oordeelt dat het eerste middel gegrond zou zijn indien het arrest niet vóór 17 juli 2011 zou zijn gewezen, maar aangezien het arrest tijdig is gewezen, faalt dit middel. Het tweede middel faalt eveneens omdat de Hoge Raad in een eerder arrest (HR 26 oktober 2010, LJN BM4440) heeft overwogen dat het enkel voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig uit een eigen misdrijf niet automatisch witwassen oplevert.

In deze zaak was echter sprake van meer: in de woning van de verdachte werd een bedrag van € 2820,- in bankbiljetten aangetroffen in een washand onder een broek op de verwarming, wat als simpel verhullen kan worden beschouwd. Dit maakt de bewezenverklaring begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De conclusie van de procureur-generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot vijf maanden gevangenisstraf wegens bezit van cocaïne en witwassen.

Conclusie

Nr. 11/00002
Mr Jörg
Zitting 21 juni 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Bij arrest van 12 maart 2010 is verzoeker door het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens bezit van 192 gram cocaïne en witwassen van een geldbedrag veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr M. Plas, advocaat te Utrecht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgedragen.
3. Het eerste middel, dat de klacht van overschrijding van de inzendtermijn bevat, is gegrond indien de Hoge Raad niet vóór 17 juli 2011 arrest wijst. Het cassatieberoep dateert van 17 maart 2010 en de stukken zijn bij de Hoge Raad ingekomen op 24 december 2010.
4. Het tweede middel, dat de klacht bevat dat de bewezenverklaring van witwassen niet, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd, faalt op de toepasselijkheid van het in de toelichting op het middel genoemde arrest HR 26 oktober 2010, LJN BM4440.
5. In dat arrest is overwogen dat het enkele voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf niet per sé als witwassen behoeft te worden beschouwd. Welnu, in de onderhavige zaak was méér aan de hand: in de woning van verzoeker is blijkens bewijsmiddel 3 een bedrag van € 2820,- in bankbiljetten in een washand aangetroffen, die werd gevonden onder een broek op de verwarming. Dat kan als (simpel) verhullen worden beschouwd. Het is immers ongebruikelijk om een grote som gelds in een washand te stoppen en onder een broek te leggen op de verwarming. Stel, dat die bankbiljetten onschuldig in het water waren gevonden en moesten drogen, en stel dat een goede manier om ze bijeen te houden is: ze in een washand te stoppen en deze dan te drogen te leggen op een verwarming, dan wordt het drogingsproces toch danig in de weg gezeten door op die washand een broek te deponeren.
6. Het middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G