ECLI:NL:PHR:2011:BR2105
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen cocaïnehandel en wapensmokkel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van meerdere feiten in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het hof baseerde zijn oordeel mede op afgeluisterde telefoongesprekken waarin verdachte met anderen sprak over de invoer en handel in cocaïne, waarbij versluierd taalgebruik werd gehanteerd.
De verdediging stelde dat de telefoongesprekken slechts fragmentarisch waren en onterecht in verband werden gebracht met de tenlastegelegde feiten. Ook werd aangevoerd dat het zwijgrecht van verdachte niet tegen hem mocht worden gebruikt en dat het versluierd taalgebruik geen objectief bewijs kon vormen. Het hof oordeelde echter dat de gesprekken in samenhang met ander bewijs een overtuigend beeld gaven van de betrokkenheid van verdachte bij de cocaïnehandel.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof de toeschrijvingen van de telefoongesprekken aan verdachte niet onjuist had aangenomen en dat het zwijgrecht niet werd geschonden door het ontbreken van een nadere verklaring. De interpretatie van het versluierd taalgebruik door het hof was gegrond en introduceerde geen willekeur. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf voor medeplegen van drugshandel en wapensmokkel.