ECLI:NL:PHR:2011:BR2981
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid valse aangifte ondanks betwisting intentie
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld wegens het doen van valse aangifte op grond van artikel 188 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Verdachte had telefonisch aan de politie gemeld dat hij door een groepje Marokkanen met de dood was bedreigd, terwijl deze mededeling niet op waarheid berustte. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op.
Verdachte stelde in cassatie dat het telefoontje geen aangifte was, maar slechts een verzoek om advies, en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een aangifte in de zin van artikel 188 Sr Pro. De Hoge Raad overweegt dat voor toepassing van artikel 188 Sr Pro voldoende is dat opzettelijk onware feiten worden gemeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een strafbaar feit is gepleegd.
De Hoge Raad bevestigt dat het telefoongesprek concrete informatie bevatte over tijd, plaats en daders, en dat de politie daardoor tot actie werd genoodzaakt. Het enkele feit dat verdachte om advies vroeg, ontnam de mededeling niet het karakter van een aangifte. De middelen van cassatie falen en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens valse aangifte.