ECLI:NL:PHR:2011:BR2981

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02642
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 188 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid valse aangifte ondanks betwisting intentie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld wegens het doen van valse aangifte op grond van artikel 188 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Verdachte had telefonisch aan de politie gemeld dat hij door een groepje Marokkanen met de dood was bedreigd, terwijl deze mededeling niet op waarheid berustte. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op.

Verdachte stelde in cassatie dat het telefoontje geen aangifte was, maar slechts een verzoek om advies, en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een aangifte in de zin van artikel 188 Sr Pro. De Hoge Raad overweegt dat voor toepassing van artikel 188 Sr Pro voldoende is dat opzettelijk onware feiten worden gemeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een strafbaar feit is gepleegd.

De Hoge Raad bevestigt dat het telefoongesprek concrete informatie bevatte over tijd, plaats en daders, en dat de politie daardoor tot actie werd genoodzaakt. Het enkele feit dat verdachte om advies vroeg, ontnam de mededeling niet het karakter van een aangifte. De middelen van cassatie falen en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens valse aangifte.

Conclusie

Nr. 10/02642
Mr. Knigge
Zitting: 5 juli 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 1 februari 2010 verdachte wegens "aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel
4.1. Het middel klaagt dat het Hof een vrijspraakverweer ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.
4.2. Uit de bewijsmiddelen kan zonder meer worden afgeleid dat de door de verdachte gedane mededeling dat hij met de dood was bedreigd door een groepje Marokkanen, niet op waarheid berustte. Hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd, noopte het Hof niet tot een nadere motivering van zijn oordeel op dit punt. Daarom faalt dit middel. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.
5. Het tweede middel
5.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft aangenomen dat er sprake was van een aangifte als bedoeld in art. 188 Sr Pro.
5.2. Het besteden arrest houdt het volgende in:
"De raadsman heeft aangevoerd dat het telefoontje van verdachte naar de politie geen aangifte is in de zin van artikel 188 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zou slechts om advies gevraagd hebben, terwijl de politie op eigen initiatief is gekomen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen.
(...)
Het hof overweegt met betrekking tot de gevoerde verweren het navolgende.
Van een aangifte in de zin van artikel 188 van Pro het Wetboek van Strafrecht is sprake indien er een mededeling aan de politie is gedaan, die de politie in beginsel tot actie zou nopen en die enige concrete informatie bevat, die houvast zou kunnen bieden bij een opsporingsonderzoek (HR 13 februari 1990, NJ 1990, 483). Het hof is van oordeel dat het in de onderhavige zaak door verdachte met de politie gevoerde telefoongesprek over de bedreiging een aangifte is in de zin van artikel 188 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het telefoongesprek bevatte immers een mededeling van verdachte die de politie tot actie heeft genoopt en enige concrete informatie bevatte. Tijdens het telefoongesprek heeft verdachte immers concrete informatie gegeven over zowel tijd en plaats van het incident als de personen van de daders.
De weerlegging van hetgeen de raadsman verder heeft aangevoerd volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen."
5.3. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de door het Hof gehanteerde definitie van een aangifte in de zin van art. 188 Sr Pro - die erop neerkomt dat de mededeling zodanig moet zijn dat zij de politie in beginsel tot actie noopt en dat zij informatie moet bevatten die houvast zou kunnen bieden aan een opsporingsonderzoek - geen steun vindt in het door het Hof genoemde arrest van de Hoge Raad. In de bestreden uitspraak komt weliswaar een overweging van die strekking voor, maar de Hoge Raad lijkt daarvan juist afstand te nemen.
5.4. Volgens vaste jurisprudentie is voor toepassing van art. 188 Sr Pro voldoende dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden medegedeeld in zodanige bewoordingen, dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen, dat op zekere tijd en ter aangegeven plaatse een bepaald strafbaar feit is gepleegd.(1) Nu is de strekking van deze jurisprudentie dat aan de aangifte geen overdreven hoge formele eisen dienen te worden gesteld. Niet nodig is dat de aangifte alle bestanddelen van een strafbaar feit inhoudt. Evenmin vereist is dat de aangifte op schrift is gesteld, voorgelezen en met de aangever of diens gemachtigde is ondertekend.(2) Deze jurisprudentie beoogt niet een sluitende definitie te geven van wat onder een aangifte moet worden verstaan. Dit vooral omdat in de gegeven "definitie" gebruik wordt gemaakt van het te definiëren begrip: de "aangifte" hoeft niet alle bestanddelen te bevatten, degene aan wie de "aangifte" wordt gedaan, moet begrijpen dat een strafbaar feit is gepleegd. De gegeven definitie veronderstelt met andere woorden dat aan de andere vereisten om van een "aangifte" te kunnen spreken, is voldaan. Zo behoort tot die vereisten mijns inziens dat de desbetreffende mededeling aan een opsporingsambtenaar, of in elk geval aan iemand met openbaar gezag bekleed, is gedaan. Mededelingen aan een particulier leveren geen aangifte op.
5.5. Het voorgaande impliceert dat de vraag of elke aan een opsporingsambtenaar gedane mededeling waaruit die opsporingsambtenaar moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een strafbaar feit is begaan, een aangifte in de zin van art. 188 Sr Pro oplevert, op grond van de bestaande jurisprudentie niet bevestigend kan worden beantwoord. Niet uit te sluiten valt dat er bijzondere omstandigheden zijn die aan een dergelijke mededeling het karakter van een aangifte ontnemen.
5.6. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte bij de politie de melding heeft gedaan dat hij met de dood was bedreigd door een groepje Marokkanen. Het Hof heeft voorts overwogen dat de melding van de verdachte concrete informatie bevatte over zowel de tijd en de plaats van het incident als de personen van de daders. Aldus heeft Hof tot uitdrukking gebracht dat degene aan wie de aangifte is gedaan, uit de bewoordingen van de aangifte heeft moeten begrijpen dat op zekere tijd en op een aangegeven plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd.
5.7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verdachte geen aangifte wilde doen, maar dat hij de politie enkel om advies wilde vragen. Mijns inziens ontneemt het enkele feit dat de bedoelde mededeling aan de politie werd gedaan om de politie om advies te vragen met betrekking tot het strafbare feit waarvan mededeling werd gedaan, aan die mededeling niet het karakter van een aangifte. Reeds daarom faalt het middel.
5.8. Het middel faalt.
6. De middelen falen derhalve en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 HR 26 oktober 1931, NJ 1932/244, HR 12 maart 1963, NJ 1963/306, HR 8 november 1988, NJB 1989, 97.
2HR 13 februari 1990, NJ 1990/483.