ECLI:NL:PHR:2011:BR2998

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03278
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijsgebruik ondanks ontbreken advocaatverhoor medeverdachten in Opiumwetzaak

Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit de Opiumwet, met een taakstraf van 120 uur of subsidiair 60 dagen hechtenis.

In cassatie werd aangevoerd dat verklaringen van medeverdachten niet als bewijs gebruikt mochten worden omdat zij niet voorafgaand aan hun eerste verhoor waren gewezen op het recht op consultatie van een advocaat, en niet ondubbelzinnig afstand hadden gedaan van dat recht.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze stelling terecht verwierp omdat de belangen van verdachte niet waren geschaad door dit verzuim, conform eerdere jurisprudentie (HR 7 juni 2011, LJN BP2740). Het middel faalde en het beroep werd verworpen.

De conclusie van de Procureur-Generaal bevatte geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden vonnis. De Hoge Raad bevestigde hiermee de bewijswaardering en de rechtmatigheid van het vonnis van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Conclusie

Nr. 10/03278
Mr. Vellinga
Zitting: 5 juli 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/03278 en 10/03280. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat voor het bewijs zijn gebruikt verklaringen van medeverdachten die niet voorafgaand aan hun eerste verhoor zijn gewezen op de mogelijke consultatie van een advocaat terwijl niet blijkt dat zij van die mogelijkheid ondubbelzinnig afstand hebben gedaan.
5. Het Hof heeft het verweer inhoudende dat verdachtes medeverdachten niet voorafgaand aan hun eerste verhoor zijn gewezen op de mogelijke consultatie van een advocaat, afgewezen met de overweging dat de verdachte door dit eventuele verzuim niet is geschonden in belangen die de overtreden norm beoogt te beschermen. Deze motivering geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan de verwerping van het verweer dragen; vgl. HR 7 juni 2011, LJN BP2740. Het Hof kon bedoelde verklaringen dus voor het bewijs gebruiken.
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG