ECLI:NL:PHR:2011:BR3026

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03471 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552p SvArt. 552a SvArt. 552d SvArt. 445 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beschikking tot verlening verlof op grond van art. 552p lid 2 Sv

Verzoekers, betrokken bij een Italiaans strafrechtelijk onderzoek, stelden cassatieberoep in tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam die verlof verleende tot het overdragen van in beslag genomen stukken aan de Italiaanse autoriteiten op grond van art. 552p lid 2 Sv.

De Rechtbank had verzoekers als belanghebbenden gehoord, maar zij hadden geen klaagschrift ingediend ex art. 552a Sv en werden niet als klagers aangemerkt. Volgens art. 445 Sv Pro is cassatie tegen dergelijke beschikkingen alleen open voor het Openbaar Ministerie en de klager.

De Hoge Raad overweegt dat verzoekers daarom niet in hun cassatieberoep kunnen worden ontvangen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De inhoudelijke middelen worden niet behandeld vanwege deze ontvankelijkheidskwestie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van klagerspositie.

Conclusie

Nr. 10/03471 B
Mr. Knigge
Zitting: 5 juli 2011
Conclusie inzake:
[Verzoekers zijn betrokkenen]
1. De internationale rechtshulpkamer van de Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 6 juli 2010 het in artikel 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof verleend.
2. Tegen deze uitspraak is namens verzoekers cassatieberoep ingesteld.(1)
3. Namens verzoekers heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld. Omdat namens beide verzoekers één cassatieschriftuur is ingediend en de zaak van beide verzoekers in cassatie aanhangig is onder één en hetzelfde zaaknummer, zal ik volstaan met het nemen van één conclusie ten aanzien van beide verzoekers.
4. Aan een bespreking van de middelen kom ik echter niet toe, omdat verzoekers mijns inziens niet in hun cassatieberoep kunnen worden ontvangen. Ik zal de niet-ontvankelijkheid kort toelichten aan de hand van de voorgeschiedenis van de zaak. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Italiaanse justitiële autoriteiten(2) in een strafrechtelijk onderzoek tegen (onder meer) verzoekers(3) heeft de officier van justitie de Rechtbank op 10 mei 2010 verzocht om de door de rechter-commissaris in het kader van voormeld rechtshulpverzoek in beslag genomen stukken van overtuiging aan hem ter beschikking te stellen, zodat hij die stukken aan de Italiaanse autoriteiten kon overdragen. De Rechtbank heeft verzoekers vervolgens - naar aanleiding van deze vordering van de officier van justitie ex. art. 552p Sv - tijdens de raadkamerbehandeling van 22 juni 2010 als belanghebbenden gehoord. Bij die gelegenheid heeft mr. Martens namens de verzoekers aan de hand van pleitnotities verweer gevoerd tegen de vordering van de officier van justitie.(4) Niet is gebleken dat, zoals verzoekers op grond van art. 552p lid 4 Sv jo. art. 552a Sv wel hadden kunnen doen, door of namens verzoekers (op enig moment) een klaagschrift ex art. 552a Sv is ingediend. Ik merk daarbij op dat verzoekers door de Rechtbank ook niet als klagers zijn aangemerkt en dat de Rechtbank geen beslissing heeft gegeven op enig door verzoekers gedaan beklag. Krachtens het tweede lid van art. 552d Sv - dat door art. 552p lid 4 van overeenkomstige toepassing is verklaard op een beschikking van de rechtbank als bedoeld in het tweede lid van art. 552p Sv - kan beroep in cassatie worden ingesteld door de klager, binnen veertien dagen na de betekening van de beschikking. Nu verzoekers geen "klager" zijn, kunnen zij niet in cassatie worden ontvangen.(5) (6)
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in hun cassatieberoepen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Mr. D.H. Stibbe heeft op 8 juli 2010 namens beide verzoekers cassatieberoep ingesteld tegen de hierboven bedoelde beschikking.
2 Dit rechtshulpverzoek dateert van 24 juli 2009.
3 Ik merk in dit verband - ten overvloede - op dat de raadsman van verzoekers tijdens de behandeling van het rechtshulpverzoek had betoogd dat het onduidelijk was of verzoekers door de Italiaanse autoriteiten werden beschouwd als verdachten, maar volgens de Rechtbank is onmiskenbaar gebleken dat "zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] door de Italiaanse justitie als verdachten worden aangemerkt en dat er tegen hen een strafrechtelijke procedure loopt." (zie rov. 2.1.5 van de bestreden beschikking)
4 De desbetreffende pleitaantekeningen zijn gehecht aan het proces-verbaal van de openbare raadkamerbehandeling van 22 juni 2010.
5 Vgl. HR 19 december 2007, LJN: AZ1670, NJ 2007, 26 en HR 6 juli 2010, LJN: BM5281 (niet gepubliceerd).
6 De officier van justitie, R.M.J. Rijck, had zich ook al op dit standpunt gesteld. Dit blijkt uit zijn "memo" (d.d. 21 oktober 2010) bij het door hem aan de Hoge Raad toegezonden afschrift van het dossier, waarin staat: "Namens de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (die door de Italiaanse autoriteiten als verdachten worden beschouwd) is een cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 06 juli 2010. Ik heb ondanks dit beroep gemeend de in beslaggenomen goederen en het originele raadkamerdossier in handen te kunnen stellen van de Italiaanse justitiële autoriteiten, omdat door/namens de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] destijds geen klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering werd ingesteld. Dit betekent in mijn visie, dat het instellen van cassatie tegen de toewijzing van de vordering ex artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk is." In de cassatieschriftuur wordt dit standpunt - onder het kopje "Ontvankelijkheid - weersproken.