ECLI:NL:PHR:2011:BR3031

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03516
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens overschrijding termijn zonder verschoonbaarheid

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het hoger beroep na het verstrijken van de wettelijke termijn van veertien dagen na het vonnis van 9 juni 2009 was ingesteld. De verdachte stelde het hoger beroep pas op 24 juni 2009 in, wat te laat was. De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom niet-ontvankelijkheid werd uitgesproken en dat het appel ook ontvankelijk zou zijn indien de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

De Hoge Raad overwoog dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet was verschenen maar zich had laten vertegenwoordigen door een raadsman die geen beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding had gedaan. Het hof hoefde daarom niet te motiveren waarom de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat dergelijke uitzonderingen zeldzaam zijn.

De Hoge Raad benadrukte dat het hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep ter terechtzitting had moeten bespreken om het contradictoire karakter van het strafproces te waarborgen. Het hof had het onderzoek zelfs moeten heropenen indien nodig. Het feit dat de raadsman mogelijk bewust of onbewust geen beroep deed op verschoonbaarheid, doet hieraan niet af. Desondanks faalt het middel omdat het hof niet in strijd met het recht heeft gehandeld door tot niet-ontvankelijkheid te besluiten.

De Hoge Raad vond geen gronden om ambtshalve te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee is bevestigd dat tijdige instelling van hoger beroep essentieel is en dat overschrijding zonder verschoonbare redenen leidt tot niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de termijn zonder verschoonbaarheid.

Conclusie

Nr. 10/03516
Mr. Vellinga
Zitting: 5 juli 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, bij arrest van 24 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Namens verdachte heeft mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep.
4. Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep op de volgende gronden:
"Verdachte kon - nu hij ter terechtzitting in eerste aanleg is verschenen - volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis van 9 juni 2009 daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld, te weten op 24 juni 2009. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."
5. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld betekent de omstandigheid dat het Hof de zaak in hoger beroep inhoudelijk heeft behandeld als ware het hoger beroep ontvankelijk, niet dat het Hof daarmee in feite heeft beslist dat het hoger beroep ontvankelijk was.
6. Volgens de toelichting op het middel is de door het Hof gebezigde motivering ontoereikend omdat het appel ook ontvankelijk is wanneer de verdachte van de overschrijding van de appeltermijn geen verwijt kan worden gemaakt.
7. De onderhavige zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen, dat hij zich aldaar heeft laten verdedigen door een daartoe gemachtigd raadsman, dat de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet aan de orde is geweest en dat van de zijde van verdachtes raadsman niet is aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.
8. In aanmerking genomen dat voor verdachtes raadsman zonder meer kenbaar was dat het hoger beroep een dag te laat was ingesteld, dat deze niettemin geen beroep op verschoonbaarheid van die termijnoverschrijding heeft gedaan en dat aan het onderzoek ter terechtzitting ook anderszins geen omstandigheden zijn te ontlenen die wijzen op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, behoefde het Hof aan het niet verschoonbaar zijn van de termijnoverschrijding geen woorden te wijden, temeer niet nu gevallen van verschoonbare termijnoverschrijding uitzonderlijk van aard zijn.(1)
9. Het middel roept de vraag op of het Hof zonder de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep ter terechtzitting aan de orde te stellen tot niet-ontvankelijkheid heeft kunnen besluiten. De wet sluit dat niet uit. Toch strookt dat niet met het contradictoire karakter van het strafproces in hoger beroep, zoals dat in de Wet stoomlijnen hoger beroep tot uitdrukking is gekomen. In het contradictoire karakter ligt een waarborg voor procespartijen besloten dat deze in de gelegenheid zijn zich over alle in het proces spelende vragen uit te laten.(2) Daar zal de rechter als bewaker van de eerlijkheid van het proces op moeten toezien. Daarom had het Hof de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep ter terechtzitting aan de orde moeten stellen alvorens tot niet-ontvankelijkheid te besluiten, ook al zou dat hebben betekend dat het onderzoek had moeten worden heropend. Nu kan hiertegen worden ingebracht dat verdachtes raadsman toch alle gelegenheid heeft gehad zich desgewenst over de ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te laten. Toch is dat betrekkelijk. Het kan zijn dat verdachtes raadsman de termijnoverschrijding is ontgaan, maar het kan ook zijn dat hij die termijnoverschrijding wel heeft gezien. In het laatste geval kan hij, nu het Hof deze niet aan de orde stelde, er in het door hem te dienen belang van de verdachte voor hebben gekozen het Hof niet op die termijnoverschrijding te wijzen in de hoop dat het Hof deze over het hoofd zou zien. Geheel vrij om de ontvankelijkheid van het appel aan de orde te stellen was verdachtes raadsman dus niet.
10. Het Hof heeft in het onderhavige geval gelet op de inhoud van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, een verrassingsbeslissing genomen. Dat is rechtens noch uit een oogpunt van het contradictoire karakter van het strafproces in hoger beroep, noch uit een oogpunt van het in het vereiste van een eerlijk proces besloten liggende beginsel van hoor en wederhoor (art. 6 lid 1 EVRM Pro)(3) een juiste gang van zaken. Op dit punt klaagt het middel echter niet. Daarom laat ik dit punt hier verder rusten.
11. Het middel faalt.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie hieromtrent o.m. HR 15 maart 2011, LJN BP2429, NJ 2011, 136, HR 18 januari 2011, LJN BO3406 en HR 7 september 2010, LJN BM6671, NJ 2010, 488.
2 Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 8, 9.
3 Vgl. EHRM 18 december 2003, appl. no. 63000/00, 74291/01 en 74292/01, (Skondrianos tegen Griekenland; strafzaak), par. 29/30, herhaald in EHRM 13 oktober 2005, appl. no. 65399/01, 65405/01, 65407/01, 65406/01, (Clinique des Acacias e.a. tegen Frankrijk; civiele zaak), par. 38, en EHRM 16 februari 2006, appl. no. 44624/98, (Prikyan en Angelova tegen Bulgarije; civiele zaak), par. 42.