ECLI:NL:PHR:2011:BR5084
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vader in hoger beroep tegen verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige zoon, waarbij de moeder het ouderlijk gezag uitoefent en de vader het kind heeft erkend maar geen gezag heeft. Bureau Jeugdzorg heeft de verlenging van de machtiging en de ondertoezichtstelling gevraagd. De vader kwam in hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot plaatsing in een pleeggezin, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat hij niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro werd aangemerkt.
De vader stelde dat hij wel degelijk belanghebbende was omdat hij het kind feitelijk had opgevoed tot maart 2008, een omgangsregeling had en er sprake was van family life. De Hoge Raad bevestigde echter dat alleen de ouder met gezag, een ander die het kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, en het kind zelf (vanaf twaalf jaar) als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De vader voldeed niet aan deze criteria omdat hij sinds maart 2008 niet meer in gezinsverband met het kind leefde en de omgangsregeling beperkt was.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de vader niet-ontvankelijk had verklaard en dat het cassatieberoep geen grond had. Ook het ontbreken van griffierecht vormde geen beletsel voor ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De conclusie van de Advocaat-Generaal was om het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn zoon.