ECLI:NL:PHR:2011:BS8796

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03964
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 398 RvArt. 78 ROArt. 80 ROArt. 332 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over onrechtmatige daad en verzet tegen verstekvonnis kantonrechter

In deze zaak vorderden [verweerster 1] en [verweerder 2] betaling wegens onrechtmatige daad, bestaande uit mishandeling en wederrechtelijk binnendringen, waarvoor gedaagden strafrechtelijk waren veroordeeld. De kantonrechter veroordeelde gedaagden bij verstek, waarna [eiser] verzet instelde. Dit verzet werd door de kantonrechter afgewezen omdat [eiser] geen inhoudelijk verweer voerde.

Tegen dit vonnis stelde [eiser] cassatie in bij de Hoge Raad. Het cassatiemiddel was echter onvoldoende gemotiveerd en specificeerde niet welke beslissingen of overwegingen onjuist waren, noch waarom het recht was geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalde omdat het niet voldeed aan de eisen van artikel 80 RO Pro.

De Hoge Raad bevestigde dat de vorderingen van [verweerster 1] en [verweerder 2] afzonderlijk onder de cassatiegrens vielen, maar dat cassatie op de daarvoor openstaande gronden mogelijk was. Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter blijft in stand.

Conclusie

Rolnr. 10/03964
Mr M.H. Wissink
Zitting: 9 september 2011(bij vervroeging)
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1 [Verweerster 1]
2 [Verweerder 2]
1. Deze zaak komt in aanmerking voor een verkorte conclusie.
2. [Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben bij exploten van dagvaarding van 29 en 30 juli 2009 [eiser] en een medegedaagde gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter) en gevorderd hen te veroordelen aan [verweerster 1] en aan [verweerder 2] ieder afzonderlijk te betalen € 1.500,00 met rente vanaf de datum der dagvaarding, met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure. De grondslag van de vordering was een onrechtmatige daad, bestaande uit het (medeplegen van) mishandelen van eisers en het wederrechtelijk binnendringen van hun woning, waarvoor gedaagden strafrechtelijk zijn veroordeeld.
3. De kantonrechter heeft bij vonnis van 21 augustus 2009 gedaagden, tegen wie verstek was verleend, veroordeeld conform de eis van [verweerster 1] en van [verweerder 2].
4. [Eiser] is in verzet gekomen van dit vonnis. De kantonrechter heeft bij (verzet)vonnis van 16 juli 2010 het (verstek)vonnis van 21 augustus 2009 bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Uit rov. 2.2 t/m 2.5 van het bestreden vonnis blijkt, dat door [eiser] achtereenvolgens verschillende formele verweren zijn aangevoerd die alle ertoe leiden dat [eiser] geen inhoudelijk verweer tegen de vordering heeft gevoerd. In rov. 2.6 overweegt de kantonrechter:
"[verweerster 1] en [verweerder 2] hebben zowel in de conclusie van antwoord alsook in de bij die conclusie behorende producties voldoende onderbouwd waarop hun vordering in de inleidende dagvaarding gebaseerd was, zodat [verweerster 1] en [verweerder 2] [bedoeld is: [eiser]; A-G] wisten waartegen zij zich in deze verzetprocedure dienen te verweren. De kantonrechter ziet dan ook geen gegronde reden voor [eiser] om bij conclusie van repliek in oppositie en tijdens de comparitie van partijen niet inhoudelijk te reageren. Nu [eiser] geen inhoudelijke verweren tegen de oorspronkelijke vordering heeft aangevoerd dient het vonnis waartegen verzet is ingediend in stand te blijven."
5. Bij dagvaarding van 27 juli 2010 heeft [eiser] tijdig cassatie ingesteld tegen het vonnis van 16 juli 2010. Tegen [verweerster 1] en [verweerder 2] is verstek verleend. [Eiser] heeft het middel niet schriftelijk toegelicht.
6. Uit het verstekvonnis blijkt dat [verweerster 1] en [verweerder 2] bij één dagvaarding elk afzonderlijk een vordering hebben ingesteld, welke vorderingen afzonderlijk onder de in artikel 332 lid 1 Rv Pro genoemde grens van € 1.750,00 blijven. Voor de beoordeling of het vonnis waarbij de beide vorderingen zijn afgedaan vatbaar is voor hoger beroep, mogen die vorderingen niet bij elkaar worden opgeteld (HR 25 maart 1994, LJN AD2072, NJ 1994, 392). Tegen het in eerste en hoogste ressort gewezen vonnis van 16 juli 2010 staat daarom op de voet van artikel 78 lid 5 RO Pro en artikel 398 onder Pro 1 Rv beroep in cassatie open, zij het slechts op de in artikel 80 lid 1 RO Pro bedoelde gronden.
7. Voor zover het middel in onderdeel 1 klaagt over verzuim van vormen als bedoeld in artikel 80 lid 1 onder Pro a RO, faalt het omdat het niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het middel verzuimt met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom (zie onder meer HR 5 november 2010, LJN: BN6196, RvdW 2010, 1328).
8. Voor zover het middel in onderdeel 2 klaagt dat de kantonrechter het recht heeft geschonden, stuit het af op het bepaalde in artikel 80 lid 1 RO Pro. Voor zover het middel een beroep wil doen op de in HR 16 maart 2007, LJN AZ1490, NJ 2007, 637 m.nt. H.J. Snijders, aanvaarde grond voor cassatie (te weten: "dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals het geval is bij het niet inachtnemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort hoor en wederhoor, en van het recht op gelijke behandeling (equality of arms)"), faalt het eveneens omdat het niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het middel verzuimt met bepaaldheid en precisie te vermelde welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden (zie onder meer het hoger genoemde arrest van 5 november 2010).
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van artikel 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G