ECLI:NL:PHR:2011:BS8872
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering onteigende gronden Eendragtspolder zonder toepassing dwangbestemming
In deze zaak staat de waardering van onteigende gronden in de Eendragtspolder centraal, waarbij de vraag is of sprake is van een dwangbestemming die de waardering beïnvloedt. De gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle stelde bestemmingsplannen vast die voorzagen in grootschalige waterberging en recreatie, waarop de onteigening door het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) gebaseerd is.
De rechtbank stelde de schadeloosstelling vast op basis van de agrarische waarde, waarbij werd geoordeeld dat geen sprake was van een dwangbestemming die moest worden weggedacht. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De rechtbank heeft volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat de Eendragtspolder een zelfstandige ruimtelijke ontwikkeling is, los van omliggende gebieden, en dat de gemeente invloed had op het bestemmingsplan, waardoor geen dwangbestemming aanwezig is.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechtbank in haar waardering feitelijke afwegingen heeft gemaakt die in cassatie niet opnieuw kunnen worden beoordeeld. Ook het beroep op artikel 40c en 40d van de Onteigeningswet, die respectievelijk het wegdenken van bestemmingen en de egalisatie binnen een complex regelen, faalt omdat de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat het onteigende geen deel uitmaakt van een complex en dat geen dwangbestemming bestaat.
De Hoge Raad oordeelt dat de schadeloosstelling terecht is vastgesteld op de agrarische waarde zonder toevoeging van een verwachtingswaarde. Het beroep van eiser op een hogere schadeloosstelling faalt, mede omdat onvoldoende is aangetoond dat de rechtbank relevante informatie onvoldoende heeft meegewogen of onjuist heeft toegepast. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schadeloosstelling blijft gebaseerd op de agrarische waarde zonder toepassing van dwangbestemming.