ECLI:NL:PHR:2011:BT1528
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van het vrije kapitaalverkeer en het LGO-besluit op dividendbelasting tussen Nederland en de Nederlandse Antillen
De zaak betreft de inhouding van Nederlandse dividendbelasting op dividenduitkeringen door Nederlandse vennootschappen aan hun moedervennootschappen op de Nederlandse Antillen. Belanghebbenden stelden dat deze inhouding in strijd was met artikel 56 EG Pro-Verdrag (thans artikel 63 VwEU Pro) en het LGO-besluit, die het vrije kapitaalverkeer en de vrijheid van vestiging regelen.
De Rechtbank Haarlem en het Gerechtshof Amsterdam oordeelden dat de Nederlandse Antillen geen lidstaat zijn en dat het LGO-besluit niet van toepassing is op de interne verhouding tussen Nederland en zijn eigen LGO. Het Hof stelde dat de situatie als een interne aangelegenheid binnen het Koninkrijk moet worden beschouwd, waardoor de vrijheden uit het EG-Verdrag niet van toepassing zijn.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het vrije kapitaalverkeer en het LGO-besluit niet zien op interne Koninkrijksrelaties zoals de dividenduitkeringen tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. Ook als de Antillen als derde land worden aangemerkt, verdringt het vestigingsaspect het kapitaalverkeeraspect, waardoor toetsing aan artikel 56 EG Pro-Verdrag niet aan de orde komt.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de standstill-bepaling van artikel 57 EG Pro-Verdrag van toepassing is, waardoor de inhouding van dividendbelasting, die al bestond op 31 december 1993, is toegestaan. De wijziging van het tarief in 2002 leidt niet tot een wezenlijke wijziging van de belastingdruk, zodat de regeling blijft gelden. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van dividendbelasting is toegestaan.