ECLI:NL:PHR:2011:BT1663

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00882
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken schriftuur in zaak medeplegen en Opiumwet-overtredingen

Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 27 januari 2010 veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens meerdere feiten, waaronder het leiden van een criminele organisatie, medeplegen van overtredingen van de Opiumwet en het opzettelijk nalaten van het tijdig verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van een recht op een verstrekking of tegemoetkoming.

Verdachte heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, vertegenwoordigd door zijn advocaat. De aanzegging van het cassatieberoep is op 8 maart 2011 betekend. Echter, binnen de in artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van twee maanden is geen schriftuurhoudend middel ingediend.

Daarom heeft de Procureur-Generaal geconcludeerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op het beroep zal ingaan. De zaak hangt samen met twee andere zaken van medeverdachten waarin eenzelfde conclusie is getrokken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van schriftuur binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 10/00882
Mr. Machielse
Zitting 6 september 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1 Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 27 januari 2010 voor 1. "Als leider deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 3. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 5. "In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte of de duur van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Voorts heeft het hof beslist over inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
2 Mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.
3 De aanzegging van art. 435, eerste lid, 1 Sv is op 8 maart 2011 betekend. Binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn van twee maanden is geen schriftuur in de zaak van verdachte ontvangen.
Het cassatieberoep is daarom niet ontvankelijk.
4 Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaken 11/00461 ([medeverdachte 1]) en 11/00478 ([medeverdachte 2]), waarin ik vandaag ook concludeer.