ECLI:NL:PHR:2011:BT1795
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing strafvermindering wegens vormverzuim in verkrachtingszaak
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor verkrachting. Het hof had het verweer van verdachte verworpen dat sprake was van een ernstig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, omdat de aanhouding van verdachte pas na 2,5 maand plaatsvond, waardoor hij niet tijdig camerabeelden kon opvragen ter ondersteuning van zijn verdediging.
De verdediging stelde dat dit verzuim strafvermindering rechtvaardigde. Het hof oordeelde echter dat er geen sprake was van een ernstige schending van de procesorde, omdat de politie eerst nader onderzoek wilde verrichten en niet doelbewust de belangen van verdachte had geschaad.
De Hoge Raad constateerde dat het hof het verweer onjuist had getoetst aan de criteria voor niet-ontvankelijkverklaring, terwijl het verweer strekte tot strafvermindering. Desondanks vond de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat geen sprake was van een onredelijke vertraging of vormverzuim, zodat het middel faalde en het arrest in stand bleef.
De zaak illustreert de toepassing van art. 359a Sv en de hoge drempel voor het aannemen van ernstige vormverzuimen die leiden tot strafvermindering of niet-ontvankelijkheid van het OM.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand zonder strafvermindering wegens vormverzuim.