ECLI:NL:PHR:2011:BT2517
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid vervolging bij onbekende bestuurder en opgave persoonsgegevens
In deze zaak stond centraal of de vervolging van de eigenaar van een voertuig ontvankelijk was, ondanks diens opgave van een andere persoon als bestuurder bij een snelheidsovertreding. De verdachte had verklaard dat zijn vader de bestuurder was, terwijl een ander antwoordformulier een derde persoon noemde. Beide ontkenden echter de bestuurder te zijn geweest.
Het hof oordeelde dat de identiteit van de bestuurder onbekend was gebleven en dat de verdachte als eigenaar aansprakelijk kon worden gesteld. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 181 lid 2 WVW Pro 1994 vereist dat de opgegeven persoonsgegevens van de bestuurder daadwerkelijk betrekking hebben op de werkelijke bestuurder. De rechter hoeft de opgave van de eigenaar niet voetstoots te aanvaarden en is bevoegd onderzoek te doen naar de juistheid daarvan.
De Hoge Raad stelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had door de vervolging toe te laten, omdat het niet aannemelijk was geworden dat de opgegeven namen de werkelijke bestuurder betroffen. Het middel van cassatie werd verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte tot een geldboete en subsidiaire hechtenis in stand bleef.
Uitkomst: De vervolging van de eigenaar van het voertuig is ontvankelijk verklaard en de veroordeling tot geldboete en subsidiaire hechtenis blijft in stand.