ECLI:NL:PHR:2011:BT2522
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing bewijsuitsluiting bij onrechtmatige aanhouding wegens kennelijke vergissing politie
In deze zaak is verdachte door het hof veroordeeld voor het verkopen en aanwezig hebben van cocaïne. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door een onrechtmatige aanhouding, gebaseerd op een verkeerde signalering door de politie. Het hof oordeelde dat de aanhouding en daaropvolgende fouillering onrechtmatig waren vanwege een kennelijke vergissing van de politie, maar dat deze vergissing niet zodanig was dat het recht op een eerlijke behandeling van verdachte was geschonden. Daarom wees het hof het verweer tot bewijsuitsluiting af, maar hield wel rekening met de vergissing in de strafmaat.
De Procureur-Generaal stelde in zijn conclusie dat bewijsuitsluiting slechts aan de orde kan komen indien een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het hof had vastgesteld dat de aanhouding en fouillering onrechtmatig waren, maar dat er geen sprake was van doelbewuste of grove veronachtzaming. Dit oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk en bevestigde dat de rechter in dergelijke gevallen een afweging kan maken en een andere sanctie dan bewijsuitsluiting kan toepassen.
Het cassatiemiddel faalde en werd verworpen. De Hoge Raad zag geen aanleiding om ambtshalve in te grijpen. Hiermee is de veroordeling van verdachte gehandhaafd ondanks de onrechtmatige aanhouding, omdat de omstandigheden van het geval een bewijsuitsluiting niet rechtvaardigden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de onrechtmatige aanhouding wegens kennelijke vergissing geen bewijsuitsluiting rechtvaardigt en wijst het cassatieberoep af.