ECLI:NL:PHR:2011:BT2561

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01944
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 288 SvArt. 410 lid 1 SvArt. 418 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest en terugwijzing wegens onjuiste maatstaf bij getuigenverzoek in hoger beroep

In deze strafzaak is de verdachte door het hof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van gedragingen in strijd met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het hof legde een voorwaardelijke werkstraf op en verklaarde twee paarden verbeurd. De verdediging stelde in hoger beroep een verzoek tot het horen van acht getuigen, waaronder dierenartsen en verbalisanten, dat het hof afwees.

De verdediging klaagde in cassatie dat het hof ten onrechte het verzoek tot het horen van getuigen-deskundigen en andere getuigen had afgewezen, waarbij het hof een onjuiste maatstaf hanteerde. De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij de getuigen-deskundigen onterecht het noodzaakcriterium toepaste in plaats van de juiste maatstaf van art. 288 lid 1 onder Pro c Sv, die vereist dat wordt getoetst of het niet horen van getuigen het verdedigingsbelang schaadt.

Voor de verbalisanten en de hoefsmid oordeelde het hof wel correct dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd en dat het niet horen van deze getuigen de verdediging niet schaadde. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel voor de verbalisanten, maar vindt de motivering voor de hoefsmid onvoldoende en acht ook dit middel gegrond.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van het getuigenverzoek en de zaak in zoverre. Dit arrest benadrukt het belang van de juiste maatstaf bij het beoordelen van getuigenverzoeken in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het getuigenverzoek.

Conclusie

Nr. 10/01944
Mr. Aben
Zitting 20 september 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem heeft bij arrest van 26 april 2010 de verdachte ter zake van 1. "Medeplegen van: een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 36 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd" en 2. "Medeplegen van: een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof een zwarte pony (merrie) en een zwart paard (merrie) verbeurd verklaard.
2. Namens de verdachte heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen om de getuigen J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld in hoger beroep als getuige te horen, althans dat het hof de beslissing op dat verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen om de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hoger beroep als getuige te horen, althans dat het hof de beslissing op dat verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen om de getuige [betrokkene 2] in hoger beroep als getuige te horen, althans dat het hof de beslissing op dat verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2. De raadsman heeft op 25 september 2008 per fax - zodoende binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na het vonnis van de rechtbank op 11 september 2008 - een appelschriftuur met grieven ingediend waarin hij aangeeft voornemens te zijn een achttal getuigen te horen, te weten:
- [verbalisant 1], verbalisant;
- [verbalisant 2], verbalisant;
- [betrokkene 1], districtsinspecteur Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming/boa;
- J.B.A. Loomans, dierenarts faculteit diergeneeskunde Utrecht;
- J.P. Koeman, dierenarts faculteit diergeneeskunde Utrecht;
- J.M. Heijltjes, dierenarts;
- M.H. van Barneveld, dierenarts;
- [betrokkene 2], hoefsmid.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verzoek om het horen van deze getuigen gehandhaafd en dit verzoek als volgt nader toegelicht:
"- [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden politieagent te Utrecht, kunnen verklaren over de situatie ter plaatse, gelet op de verklaring van verdachte dat de pony's naar een andere (goede) wei zijn gebracht.
- [betrokkene 1], districtsinspecteur Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, kan verklaren over de conditie waarin de dieren verkeerde.
- J.B.A. Loomans en drs. J.P. Koeman, beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, kunnen verklaren over het onderzoek dat zij naar c.q. op de dieren hebben verricht. Dit is van belang nu hun verklaringen zijn gebruikt voor het bewijs.
- drs. J.M. Heijltjes en drs. M.H. van Barneveld. beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, hebben de vier pony's en het paard onderzocht en kunnen verklaren over wat zij hebben waargenomen en de conclusies die zij daaraan hebben verbonden.
- [betrokkene 2], de hoefsmid, kan verklaren over het geconstateerde achterstallig onderhoud aan de hoeven van de dieren. Vooral nu verdachte aangeeft dat wat de hoefsmid beschrijft zich niet verhoudt met de constatering dat de hoeven brokkelig waren."
3.3. Het hof heeft naar aanleiding van het verzoek van de verdediging, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang, het volgende overwogen:
"- voor wat betreft de getuigen-deskundigen, J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld is het noodzaakcriterium aan de orde. Het hof wijst het verzoek deze getuigen-deskundigen te horen af, nu de noodzaak daartoe niet gebleken is. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Het feit dat de bevindingen van de getuigen-deskundigen zijn gebruikt voor het bewijs maakt dit niet anders.
- het hof wijst het verzoek de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege blijven van het verhoor verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad nu onduidelijk is welke vragen de verdediging wil stellen in relatie tot het onderhavige delict. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd.
(...)
- het hof wijst ook het verzoek de getuige [betrokkene 2] te horen af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege blijven van het verhoor verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad. De getuige heeft verklaard dat de dieren hoefverzorging nodig hadden hetgeen door de verdediging niet wordt betwist."
3.4. Het verzoek van de raadsman betreft een bij appelschriftuur gedaan getuigenverzoek van getuigen die niet eerder ter terechtzitting in eerste aanleg of bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is ingevolge art. 288, eerste lid onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv - voor zover hier van belang - of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad, het zogeheten verdedigingsbelang.
3.5. Gelet op het voorgaande heeft het hof, nu het ten aanzien van de getuigen J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld heeft overwogen dat het noodzaakcriterium aan de orde is derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd bij de afwijzing van het verzoek tot horen van deze getuigen. Aldus is het eerste middel terecht voorgesteld.
3.6. Ten aanzien van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft het hof overwogen dat de verdachte door het niet horen van de verzochte getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf (art. 288, lid 1 onder c, Sv) toegepast. In het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte aan het verzoek tot het horen van deze getuigen ten grondslag heeft gelegd, is het oordeel van het hof dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad, niet onbegrijpelijk. De raadsman van de verdachte heeft immers op geen enkele wijze nader geconcretiseerd waarom het horen van de getuige van belang was voor de verdediging. Aldus faalt het tweede middel.
3.7. Met betrekking tot de getuige [betrokkene 2] heeft het hof overwogen dat - omdat door de verdediging niet wordt betwist hetgeen door de getuige is verklaard, te weten dat de dieren hoefverzorging nodig hadden - redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege van het verhoor van deze getuige de verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Gelet op de omstandigheid dat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft aangevoerd dat 'de noodzakelijke hoefverzorging altijd werd gedaan', kan mijns inziens niet worden gesteld dat door de verdediging niet wordt betwist dat de dieren hoefverzorging nodig hadden. Nu het getuigenverzoek kennelijk uitsluitend op deze grond is afgewezen is de afwijzing van het verzoek om deze getuige te horen in het licht van het ruime criterium van het verdedigingsbelang niet toereikend gemotiveerd.
4. Zowel het eerste als het derde middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden vonnis aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden