ECLI:NL:PHR:2011:BT2915
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schorsing advocaat en gevolgen voor voortgang civiele procedure
In deze zaak stond centraal de vraag of de schorsing van een advocaat, mr. Chedie, op grond van de Advocatenwet automatisch leidt tot schorsing van het civiele geding in hoger beroep. De advocaat was geschorst vanaf 13 januari 2009, terwijl de zaak nog niet in staat van wijzen verkeerde. Het hof had een arrest gewezen ondanks de schorsing, waarop eiser in cassatie ging.
De Hoge Raad overwoog dat de wet niet expliciet regelt wat er moet gebeuren bij schorsing van een advocaat, maar dat schorsing op grond van faillissement of ondercuratelestelling het geding van rechtswege schorst. Een disciplinaire schorsing leidt echter niet automatisch tot schorsing van het geding, omdat de rechtsverhouding tussen advocaat en cliënt niet wordt beëindigd. De rechter kan bij korte schorsing de zaak aanhouden, bij langere schorsing dient de schorsing kenbaar te worden gemaakt aan de wederpartij.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep omdat de schorsing van mr. Chedie niet leidde tot schorsing van het geding en het hof terecht het arrest had gewezen. Ook het beroep op nietigheid van het arrest faalde. De Hoge Raad benadrukte dat het risico van het vinden van een nieuwe advocaat voor rekening van de cliënt komt. Het middel dat het hof had moeten gelasten tot een comparitie wegens ontbrekende stukken faalde eveneens.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was om het cassatieberoep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad volgde. Hiermee is bevestigd dat disciplinaire schorsing van een advocaat niet automatisch de voortgang van een civiele procedure belemmert.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; schorsing van de advocaat leidt niet tot schorsing van het geding.