ECLI:NL:PHR:2011:BT6250

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03076
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens termijnoverschrijding bij feitelijke aanranding

Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid en opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Tegen dit vonnis stelde verdachte, zelf advocaat, cassatieberoep in.

De schriftuur met middelen van cassatie werd echter pas op 8 oktober 2010 ontvangen, terwijl de wettelijke termijn van twee maanden na de aanzegging van 28 juli 2010 was verstreken. Verdachte voerde in een brief aan de rolraadsheer aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een vermeende onduidelijke mededeling over de datum van betekening.

De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke termijn strikt moet worden nageleefd en dat de uitleg van de mededeling geen grond biedt voor verschoonbaarheid. Verdachte, als advocaat, had de wet en jurisprudentie moeten raadplegen om een verkeerde interpretatie te voorkomen. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur.

Conclusie

Nr. 09/03076
Mr. Machielse
Zitting 27 september 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 1 juli 2009 voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Mr. G.M. Roze, advocaat te Arnhem heeft cassatie ingesteld. Verdachte, zelf advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden met middelen van cassatie. Tevens heeft verdachte de middelen nog schriftelijk toegelicht.
3. De aanzegging op de voet van het eerste lid van artikel 435 Sv Pro van de ontvangst van het dossier is op 28 juli 2010 in persoon aan verdachte uitgereikt. De schriftuur van verdachte is eerst op 8 oktober 2010, dus na verloop van de in artikel 437 Sv Pro genoemde twee maanden, ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. In een brief van 15 oktober 2010 aan de rolraadsheer poogt de steller van de schriftuur het gevolg dat de wet verbindt aan deze termijnoverschrijding af te wenden op basis van een uitleg van de tekst die is opgenomen in de aan de steller van het middel gezonden "mededeling betekening". In deze mededeling is te lezen:
"De aanzegging ex artikel 435, lid 1, Sv is op 28 juli 2010 betekend.
Een op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep vereiste schriftuur, houdende middelen van cassatie, kan binnen zestig dagen na deze datum bij de Hoge Raad worden ingediend."
In de brief van 15 oktober 2010 verdedigt de steller van de schriftuur de uitleg dat de woorden "na deze datum" betrekking hebben op de datum van de mededeling van de betekening (11 augustus 2010). Daarom zou de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn. De toelichting op de schriftuur bevat bijlagen die de steller van de schriftuur sterken in zijn opvatting.
4. In het licht van de tekst van het tweede lid van artikel 437 Sv Pro, waarop de inhoud van de "mededeling betekening" is gebaseerd, kan "deze datum" in de mededeling niet anders worden uitgelegd dan dat is bedoeld de datum van betekening van de aanzegging.
Raadpleging van de genoemde bepalingen in het Wetboek van strafvordering of van de rechtspraak van de Hoge Raad dienaangaande(1) had de steller van de schriftuur, zelf advocaat, voor een verkeerde uitleg kunnen behoeden, zodat de termijnoverschrijding geenszins verschoonbaar is te achten. Nu de ontvankelijkheidsdrempel niet wordt gehaald is er ook geen basis voor ambtshalve cassatie zoals de steller van de brief van 15 oktober 2010 heeft bepleit.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Bijv. HR 22 januari 2008, LJN BC1343.