ECLI:NL:PHR:2011:BT6391

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01934 J
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 284 SrArt. 242 SrArt. 312 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest bedreiging met geweld wegens onvoldoende motivering

In deze zaak werd verdachte door het Hof Amsterdam veroordeeld voor poging tot bedreiging met geweld gericht tegen een slachtoffer, waarbij hij samen met een ander het slachtoffer probeerde te dwingen iets te doen. Het Hof baseerde zich op verklaringen van getuigen en politieprocessen-verbaal, waaronder uitlatingen van verdachte en medeverdachten.

Verdachte stelde cassatie in tegen het arrest, waarbij onder meer werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn en onvoldoende bewijs voor bedreiging met geweld. De Hoge Raad overwoog dat de uitlatingen "werk gewoon mee, anders gaan we dingen doen die je niet leuk zal vinden" en "luister meneer, luister naar die jongen en ga mee naar het politiebureau" niet concreet genoeg zijn om als bedreiging met geweld te kwalificeren. Ook ontbrak het aan motivering dat bij het slachtoffer in redelijkheid vrees voor geweld kon ontstaan.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het betrekking had op het bewezenverklaarde feit van bedreiging met geweld en de strafoplegging, en wees de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde berechting. Tevens werd het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel gecorrigeerd. Voor het overige werd het beroep verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het bewezenverklaarde feit bedreiging met geweld en terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 10/01934 J
Mr. Vellinga
Zitting: 27 september 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, vrijgesproken van het onder 1 en 3 primair tenlastegelede en wegens 2. "Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd" en 3 subsidiair "Poging tot het medeplegen van een ander door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen" veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase.
4. Namens verdachte, op wie het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, is op 11 mei 2010 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 maart 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.(1)
5. Het tweede middel klaagt dat het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit, voor wat betreft de bedreiging met geweld, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
6. Ten laste van verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep, bewezenverklaard dat:
"hij op 21 maart 2008 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] wederrechtelijk te dwingen iets te doen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij verdachte of zijn mededader [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "werk gewoon mee, anders gaan we dingen doen die je niet leuk zal vinden" en/of "luister meneer, luister naar die jongen en ga mee naar het politiebureau", zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;"
7. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
"7. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beide brigadier van politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0918/08-044948, gesloten en getekend op 11 juni 2008, dossierpagina 370-371, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op 18 maart 2008 was onder andere [verdachte] op heterdaad aangehouden voor een autobrand op de Maasstraat te Utrecht. [Betrokkene 1] en haar vriend [slachtoffer] hadden een getuigenverklaring afgelegd waarin ze [verdachte] hadden aangewezen als een van de verdachten.
Op 21 maart 2008 heeft de officier van justitie besloten [verdachte] heen te zenden. Inmiddels hadden wij van de recherche begrepen dat [verdachte] gelijk, nadat hij heengezonden was, met zijn vader langs gegaan is op het adres van [slachtoffer] en [betrokkene 1]. Wij begrepen dat [betrokkene 1] erg onder de indruk was van het bezoek van [verdachte] en zijn vader.
....
Hierop is door de recherche besloten een camera te plaatsen, gericht op de woning van [betrokkene 1] en [slachtoffer]. Tevens werd vanuit de surveillancedienst extra toezicht ingezet in de buurt teneinde gevaarzetting te doen afnemen.
Op 22 maart 2008 heb ik [verbalisant 1] telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 1]. Ik hoorde dat [betrokkene 1] vertelde dat zij de nacht ergens anders had doorgebracht. Haar vriend was wel thuisgebleven. Zij vertelde tevens dat haar vriend vertelde dat hij om 20.00 uur bezoek had gehad van een groep jongens. Het enige wat hij kwijt wilde is dat hij naar de politie wil gaan om zijn verklaring in te trekken.
8. De verklaring van getuige [slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbank te Utrecht d.d. 15 augustus 2008, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven
...
Die avond zijn er een paar jongens bij me aan de deur geweest. Een stuk of vier jongens, waaronder [verdachte]. Ik ken die jongen omdat hij tegenover me woont. [Verdachte] zei dat ik mijn verklaring die ik had afgelegd moest aanpassen. [verdachte] bleef vrij rustig toen hij dat zei. De anderen waren de boel een beetje aan het opstoken. Op dat moment wist ik nog niet dat die jongen [verdachte] heette, dat weet ik nu. [Verdachte] wilde met me mee gaan naar de politie om mijn verklaring aan te passen.
...
U vraagt mij of [verdachte], toen hij bij mij voor de deur stond, heeft gezegd 'werk gewoon mee, anders gaan we dingen doen die u niet leuk zult vinden'. Niet door [verdachte] volgens mij. Het was volgens mij een andere jongen, maar dat weet ik niet zeker. U vraagt mij of [verdachte] heeft gezegd 'Luister meneer, luister naar die jongen en ga mee naar het politiebureau'. Nee, dat was een andere jongen die dat zei.
De jongens die bij me voor de deur stonden waren jongens van het plein. Daarmee bedoel ik jongens die daar in de buurt wonen. [Verdachte] heeft er de gehele tijd bijgestaan toen ik bij de deuropening stond. Ze waren met z'n vieren.
9. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en agent van politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0915/08-044948, gesloten en getekend op 10 juni 2008, dossierpagina 930-934, voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte], zakelijk weergegeven:
...
Opmerking: Na de aanhouding van [verdachte] zijn twee getuigen op 21 maart 2008 omstreeks 20.00 uur in de Lingestraat behoorlijk bedreigd.
Vraag: Weet jij daar iets van?
Antwoord: ik heb wel een verhaal gehoord daarover. Dat is de overbuurman van [verdachte]. [Verdachte] heeft mij gevraagd om een baksteen door de ruit te gooien bij die man. Ik was met [betrokkene 2 en 3]. [Verdachte] kwam naar mij toe en zei tegen mij Hownie Hownie (fonetisch) dat is Marokkaans voor "help me". Ik ben meegelopen met die jongens. [Betrokkene 4] kwam ook nog aanlopen. Ik stond ongeveer 2 meter van het huis vandaan. De man wilde eerst niet opendoen en toen vroeg [verdachte] mij dat van die steen. Ik kon horen wat [verdachte] tegen de man van dat huis, die getuige dus, zei. [Verdachte] zei dat die man hem had verraden en aangewezen. [Verdachte] vroeg die man mee te gaan naar het politiebureau om te zeggen dat hij, [verdachte], het niet was geweest."
8. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de door het Hof bewezenverklaarde uitingen "werk gewoon mee, anders gaan we dingen doen die je niet leuk zal vinden" en/of "luister meneer, luister naar die jongen en ga mee naar het politiebureau" niet als (bedreiging met) geweld kunnen worden gekwalificeerd.
9. Vooropgesteld moet worden dat de wet niet zegt wat onder "geweld" dient te worden verstaan. In Noyon-Langemeijer-Remmelink wordt als definitie van geweld gehanteerd: "de aanwending van fysieke kracht (tegen personen of goederen), welke met zo'n hevigheid geschiedt, dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen."(2) Lindenberg merkt op dat de inhoud en reikwijdte van het geweldsbegrip voor art. 284 Sr Pro niet van fundamenteel belang is, nu de bestanddelen "geweld" en "bedreiging met geweld" in art. 284 Sr Pro geflankeerd worden door de ruimere bestanddelen "enige andere feitelijkheid" en "bedreiging met enige andere feitelijkheid". Volgens hem kan het "geweld" in art. 284 Sr Pro beperkt blijven tot de kernbetekenis, welke in de context van art. 284 Sr Pro het eenvoudigst kan worden omschreven als een "krachtdadige feitelijkheid", zodat daarmee het geweldbegrip zijn primaire betekenis behoudt en de grens met "een andere feitelijkheid" eenvoudiger te bepalen is.(3)
10. Voorts dient het volgende in aanmerking te worden genomen. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met geweld is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld jegens hem zou worden uitgeoefend.(4) Van bedreiging met geweld kan ook sprake zijn indien de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd, dat de vrees van de slachtoffers voor geweld van hun zijde gerechtvaardigd is.(5)
11. Tegen deze achtergrond is het kennelijke oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde uitlatingen "werk gewoon mee, anders gaan we dingen doen die je niet leuk zal vinden" en/of "luister meneer, luister naar die jongen en ga mee naar het politiebureau" als bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] kunnen worden aangemerkt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Immers, genoemde uitlatingen houden niets concreets in over de mogelijk door verdachte en/of zijn medeverdachten jegens [slachtoffer] te plegen (gewelddadige) handelingen, meer in het bijzonder niet dat fysieke kracht jegens het slachtoffer zal worden aangewend, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen ook niet blijkt dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld jegens hem zou worden uitgeoefend wanneer hij niet mee zou gaan naar het politiebureau. In dit verband wijs ik erop dat uit de gebezigde bewijsmiddelen wel blijkt dat verdachte toen hij voor de deur van [slachtoffer] stond en de deur niet werd opengedaan aan [medeverdachte] heeft gevraagd bij [slachtoffer] een steen door de ruit te gooien maar daaruit blijkt niet dat dit [slachtoffer] ter ore is gekomen.(6) De bewezenverklaring is op dit punt derhalve onvoldoende met redenen omkleed.
12. Het middel slaagt.
13. Ambtshalve merk ik het volgende op. De vordering van de benadeelde partij is door het Hof toegewezen tot een bedrag van € 350,88, de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 355,88. Laatstgenoemd bedrag moet op een vergissing berusten voor zover dit het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag te boven gaat. De Hoge Raad kan deze misslag herstellen.
14. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel, tot bepaling van het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel op € 350,88, alsmede tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 3 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.
2 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 81, aant. 6 (suppl. 137, november 2006).
3 K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel 'dwingen' en strafbaarstellingen van dwang in het bijzonder art. 284 Sr Pro, diss. Groningen 2007, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2007, p. 196 en 197.
4 Vgl. HR 20 september 2011, LJN BR0444 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 14 juni 2011, LJN BQ3717, NJ 2011, 285 (t.a.v. bedreiging met zware mishandeling), HR 15 maart 2011, LJN BP2215, NJ 2011, 227, m.nt. N. Keijzer (t.a.v. bedreiging met zware mishandeling), HR 25 januari 2011, LJN BO4022, NJ 2011, 226, m.nt. N. Keijzer (t.a.v. bedreiging met zware mishandeling), HR 25 januari 2011, LJN BP1858, NJ 2011, 225, m.nt. N. Keijzer (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 25 januari 2011, LJN BP1834 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 4 december 2007, LJN BB7104 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling), HR 19 juni 2007, LJN BA3135 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht), HR 18 april 2006, LJN AV4824, NJ 2006, 397, m.nt. Y. Buruma (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) en HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005, 448 (t.a.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht).
5 Aldus HR 22 maart 1988, LJN AD0225, NJ 1988, 785 t.a.v. bedreiging met geweld als bedoeld in art. 242 Sr Pro en HR 29 september 2009, LJN BJ6967 t.a.v. bedreiging met geweld in art. 325 SrNA Pro (overeenkomend met art. 312 Sr Pro).
6 Vgl. HR 20 september 2011, LJN BR0444, HR 10 februari 2009, LJN BG6562, NJ 2009, 109 en HR 19 juni 2007, LJN BA3135.