ECLI:NL:PHR:2011:BT6412
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende motivering
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin aan veroordeelde de plicht werd opgelegd om € 30.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen. De verdediging had verzocht om het horen van twee getuigen die zouden kunnen aantonen dat een deel van het voordeel verklaard kon worden door een lening en een verzekeringsuitkering, maar deze verzoeken werden door het hof afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de juiste maatstaf voor de afwijzing van getuigenverzoeken heeft toegepast en dat de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad om de verzoeken nader te onderbouwen, maar dit niet heeft gedaan. Tevens is geoordeeld dat de toerekening van 90% van het voordeel aan veroordeelde en 10% aan zijn voormalige partner voldoende gemotiveerd is op basis van het onderzoek ter terechtzitting.
Echter, de Hoge Raad stelt vast dat het arrest niet voldoet aan de vereisten van art. 511g lid 2 jo. 415 en 359 lid 3 Sv, omdat het arrest niet de inhoud bevat van de bewijsmiddelen waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd. De delen van het strafrechtelijk financieel rapport die zijn gebruikt bevatten slechts conclusies en niet de onderliggende feiten en omstandigheden. Hierdoor is de schatting ontoereikend gemotiveerd en leidt dit tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.