ECLI:NL:PHR:2011:BT7187

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05433
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6:248 BWArt. 7:232 BWArt. 272 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huur woonruimte en redelijkheid en billijkheid bij huurbescherming

Eiseres heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Haagse Hof van 20 juli 2010 betreffende de beëindiging van een huurovereenkomst voor woonruimte. Het geschil betrof onder meer de vraag of het hof voldoende rekening had gehouden met de affectieve relatie tussen partijen tot 2006, het ontbreken van een huurverhogingsvoorstel door verweerder en diens stopzetting van correspondentie over het beschikken over de woning.

De Procureur-Generaal merkt op dat het hof deze laatste omstandigheid niet expliciet heeft betrokken in zijn oordeel, maar dat dit eiseres niet helpt omdat zij niet heeft onderbouwd dat zij deze stelling in het geding heeft gebracht. Daarnaast blijkt uit de procedure dat verweerder kennelijk van mening is veranderd, mogelijk vanwege redenen die het hof in zijn oordeel heeft genoemd.

Het hof heeft de overige twee omstandigheden wel expliciet meegewogen in zijn beoordeling, waarop alle klachten van eiseres stuiten. De conclusie van de Procureur-Generaal luidt dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen, met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

10/05433
mr. J. Spier
Zitting 7 oktober (bij vervroeging)
Verkorte conclusie
inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
1. [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Haagse Hof van 20 juli 2010.
2. Alle klachten bouwen, voor zover begrijpelijk, voort op de veronderstelling dat het Hof niet heeft verdisconteerd dat der partijen affectieve relatie tot in 2006 heeft voortgeduurd, dat [verweerder] nimmer een huurverhoging heeft voorgesteld en dat hij is gestopt met correspondentie over het kunnen beschikken van de woning "omdat hij dit niet met zijn geweten in overeenstemming kon brengen" (onderdeel 2).
3. Deze laatste omstandigheid heeft het Hof niet kenbaar in zijn oordeel betrokken. Het kan [eiseres] reeds niet baten omdat niet wordt aangegeven waar zij in de gedingstukken een dergelijke stelling aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd. Los daarvan: de onderhavige procedure maakt duidelijk dat [verweerder] kennelijk - allicht om de door het Hof in rov. 5.1 genoemde redenen - van mening is veranderd. De overige twee omstandigheden heeft het Hof expliciet meegewogen in rov. 5.5 ("In de derde plaats zijn van belang (...)". Hierop stuiten alle klachten af. Daarbij teken ik nog aan dat de rechtsklacht van onderdeel 7 onbegrijpelijk is.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal