ECLI:NL:PHR:2011:BT7188

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02492
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:272 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van ontruimingsvonnis

Het cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het Hof Den Haag waarin een eerder arrest uitvoerbaar bij voorraad is verklaard met betrekking tot een veroordeling tot ontruiming.

De Procureur-Generaal stelt dat de klacht dat artikel 7:272 lid 1 BW Pro een uitvoerbaarverklaring bij voorraad categorisch uitsluit, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt niet dat in deze zaak de uitvoerbaarverklaring bij voorraad onterecht was, noch dat het Hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

Daarnaast is de ontruiming inmiddels uitgevoerd, waardoor een klacht over het ontbreken van een termijn voor ontruiming geen belang meer heeft.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen op grond van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad blijft gehandhaafd.

Conclusie

11/02492
mr. J. Spier
Zitting 7 oktober 2011 (bij vervroeging)
Verkorte conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het Haagse Hof waarbij het arrest van datzelfde Hof, waartegen het middel in de zaak met rolnummer 10/005433 zich kant, uitvoerbaar bij voorraard is verklaard. Het beroep is tijdig ingesteld.
2. Blijkens de s.t. van de cassatiebezorger onder 1.7 heeft de ontruiming inmiddels plaatsgevonden.
3. De kernklacht voert, naar ik (uit de s.t. onder 3.1 en 3.2 en onderdeel 3) begrijp, aan dat art. 7:272 lid 1 BW Pro categorisch in de weg staat aan een uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit categorisch blijkt uit het onderstreepte woordje "kunnen" in onderdeel 3. Deze zo algemene stelling berust evenwel op een onjuiste rechtsopvatting; zie T&C Burgerlijk Wetboek, Boeken 6, 7 en 8 (Huydecoper) art. 7:272 aant Pro. 3. Het middel behelst niet de klacht dat in casu voor zodanige uitvoerbaar verklaring bij voorraard geen plaats was, noch ook dat het Hof zijn oordeel niet (toereikend) heeft gemotiveerd.
4. Onderdeel 7 betoogt dat geen termijn kon worden vastgesteld die al was verstreken. Die klacht mist belang omdat de ontruiming volgens de eigen stellingen van [eiseres] inmiddels heeft plaatsgevonden na het wijzen van het thans bestreden arrest, terwijl aan 's Hofs veroordeling geen dwangsom is verbonden.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal