AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Betaling en verhaal van schuld na echtscheiding bij overeenkomst van scheiding en deling
Partijen waren gehuwd en zijn in september 2005 gescheiden. In een overeenkomst van 9 augustus 2005 is geregeld dat een schuld aan RiVaMi Beheermaatschappij C.V. wordt toegedeeld aan de man. De kantonrechter heeft beide partijen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze schuld.
De vrouw heeft de schuld voldaan nadat RiVaMi executoriaal beslag op haar bankrekening had gelegd en vordert verhaal op de man op grond van de overeenkomst van scheiding en deling. De man voert verweer en vordert nakoming van een andere schuld die de vrouw zou dragen.
De kantonrechter en het hof wijzen de man’s verweren af en bevestigen de veroordeling tot betaling aan de vrouw. De Hoge Raad oordeelt dat de vordering van de vrouw niet is gebaseerd op art. 1:102 BWPro maar op de scheidings- en delingsovereenkomst, en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de man de gehele schuld moet dragen. De klacht van de man dat de vrouw onredelijk handelde door de schuld ineens te voldoen, wordt verworpen. De vordering van de man tot nakoming van een schuld aan een derde partij wordt afgewezen omdat deze schuld niet onder de overeenkomst valt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en hij wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van het door haar voldane bedrag.
Conclusie
10/04948
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 8 juli 2011
Conclusie inzake:
[De man]
tegen
[De vrouw]
1. In deze zaak kan worden volstaan met een verkorte conclusie. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is ontbonden in september 2005 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand(1).
2. Partijen hebben de scheiding en deling van hun goederengemeenschap geregeld in een overeenkomst van 9 augustus 2005. Zij zijn daarbij overeengekomen dat de schuld aan RiVaMi Beheermaatschappij C.V. (in de akte gesteld op € 3.800,-) wordt toegedeeld aan de man, thans eiser tot cassatie. Op vordering van RiVaMi had de kantonrechter te Zwolle bij verstekvonnis van 18 januari 2005 beide echtgenoten hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 3.975,06 aan RiVaMi(2), vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.340,38 vanaf 31 december 2004.
3. Bij dagvaarding van 7 maart 2006 heeft de vrouw van de man betaling gevorderd van aanvankelijk € 3.340,38, vermeerderd met rente vanaf de datum der dagvaarding. Zij heeft daartoe gesteld dat RiVaMi bezig is deze schuld op haar vermogen te verhalen en dat, ingevolge de overeenkomst van 9 augustus 2005, in de verhouding tussen partijen onderling de man verplicht is de schuld aan RiVaMi voor zijn rekening te nemen. Met een executoriaal derdenbeslag op de bankrekening van de vrouw heeft RiVaMi (afgerond) € 865,- op de vrouw verhaald. Nadat de vrouw op 18 augustus 2006 ter aflossing van de openstaande schuld in één keer € 4.004,77 aan RiVaMi had voldaan, heeft zij haar vordering op de man vermeerderd tot € 4.869,77, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4. De man heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat de vrouw op straffe van verbeurte van een dwangsom zal worden veroordeeld om de overeenkomst van 9 augustus 2005 na te komen wat betreft een schuld aan [A] (ad € 2.000,-), die zij voor haar rekening zou nemen.
5. Na in een tussenvonnis van 7 november 2006 inlichtingen te hebben gevraagd, heeft de kantonrechter te Zwolle bij vonnis van 2 januari 2007 de man veroordeeld tot betaling van € 4.869,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 865,- van 7 maart 2006 tot 1 september 2006 en over € 4.869,77 vanaf 22 augustus 2006 tot de dag der voldoening. De kantonrechter heeft de vordering van de man in reconventie afgewezen.
6. Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof te Arnhem (nevenzittingsplaats Leeuwarden) bij arrest van 4 mei 2010 de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd.
7. De man heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Tegen de vrouw is verstek verleend, waarna de man het cassatieberoep schriftelijk heeft laten toelichten.
8. De man had in grief 1 als verweer aangevoerd dat het regres naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is: toen RiVaMi de schuld op hem wilde verhalen, was hij met RiVaMi een betalingsregeling in maandelijkse tranches van € 50,- overeengekomen. In plaats van de schuld aan RiVaMi in één keer af te lossen had de vrouw de uitkomst van het geding behoren af te wachten. In rov. 13 en 14 heeft het hof dit verweer verworpen.
9. De onderdelen 1 - 4 van het middel behelzen de klacht dat het hof miskent dat de vrouw méér heeft gevorderd dan waartoe zij gerechtigd is: volgens het middel noopte de veroordeling in het vonnis van 18 januari 2005 de vrouw destijds tot betaling aan RiVaMi van € 4.653,69 inclusief vertragingsrente en geliquideerde proceskosten. De vrouw, die als hoofdelijk medeschuldenaar was aangesproken, kon hoogstens de helft van dit bedrag (€ 2.326,85) verhalen op de man. De schriftelijke toelichting verwijst naar art. 1:102 BWPro. Voor zover het hof deze regel niet heeft miskend, noemt het middel de bestreden beslissing onbegrijpelijk.
10. Anders dan het cassatiemiddel veronderstelt, was de vordering van de vrouw niet gebaseerd op art. 1:102 BWPro. De vordering was uitdrukkelijk gebaseerd op de overeenkomst van scheiding en deling die volgens de vrouw meebracht dat - in de rechtsverhouding tussen partijen onderling - de gehele schuld aan RiVaMi voor rekening van de man komt. Het is om die reden niet in strijd met de wet, noch onbegrijpelijk, dat de kantonrechter op diezelfde grond de man tot betaling van het gehele bedrag heeft veroordeeld.
11. Voor zover het middel onder 3 betoogt dat de vrouw het belang van de man heeft geschaad door onnodig de restantschuld in één keer af te lossen, slaagt het evenmin. Het hof constateert dat RiVaMi op 17 december 2005 executiemaatregelen jegens de vrouw had getroffen. In rov. 13 overweegt het hof dat de vrouw heeft gesteld dat zij, ter voorkoming van toenemende spanningen en oplopende kosten, in augustus 2006 is overgegaan tot aflossing van de schuld. Het hof is van oordeel dat de vrouw onder deze omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de betaling. Daarmee heeft het hof voldoende inzichtelijk gemaakt waarom dit verweer van de man werd verworpen. Voor zover het onderdeel betoogt dat de vrouw vóór de betaling aan RiVaMi contact had behoren op te nemen met de man, gaat het bovendien om een nieuw verweer dat in cassatie niet kan worden onderzocht.
12. Rov. 15 heeft betrekking op de vordering van de man in reconventie, strekkende tot nakoming van de overeenkomst van 9 augustus 2005 door de vrouw, wat betreft de schuld aan [A]. Het hof heeft de vordering afgewezen op de grond dat partijen weliswaar het erover eens zijn dat de schuld aan [A] voor rekening van de vrouw komt, maar dat deze schuld geen deel uitmaakt van de overeenkomst van 9 augustus 2005, waarvan de man de nakoming vordert. Bovendien heeft de man niets betaald in mindering op deze schuld. Onderdeel 5 klaagt dat indien de man de nota van [A] voldoet, hij voor ten minste de helft van het bedrag regres heeft op de vrouw.
13. De klacht faalt reeds omdat de vordering in reconventie strekte tot nakoming van de overeenkomst van 9 augustus 2005. De vaststelling door het hof dat de schuld aan [A] geen deel uitmaakt van deze overeenkomst is in cassatie niet bestreden. Toepassing van art. 81 R.O. wordt in overweging gegeven.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 In het voetspoor van de kantonrechter gaat het hof in rov. 2 - in cassatie onbestreden - uit van 23 september 2005. Prod. 1 bij de inleidende dagvaarding noemt 19 september 2005.
2 Inclusief vervallen vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten.