ECLI:NL:PHR:2011:BT7590

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03158
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet BopzArt. 37 Wet BopzArt. 5 EVRMArt. 340 RvArt. 358 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen afwijzing schadevergoeding Wet Bopz

Betrokkene was op grond van een vonnis voor de duur van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfstitel diende de officier van justitie een verzoek tot machtiging voortgezet verblijf in, maar dit verzoek werd te laat ingediend. Betrokkene werd daardoor onvrijwillig zonder geldige titel in het ziekenhuis gehouden van 1 tot 13 april 2011.

De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 35 Wet Pro Bopz af, omdat de gedwongen opname feitelijk noodzakelijk en gerechtvaardigd was en betrokkene materieel niet in een andere situatie verkeerde dan wanneer de formaliteiten wel waren nageleefd. Betrokkene stelde dat hem immateriële schade was toegebracht door de onrechtmatige vrijheidsbeneming.

In cassatie richtte betrokkene zich uitsluitend tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding gewoon hoger beroep openstaat en dat het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk is. Betrokkene kan het geschil over de schadevergoeding voorleggen aan het gerechtshof. De Hoge Raad ging niet inhoudelijk in op de materiële klachten.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

11/03158
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 2 september 2011
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Alkmaar
In deze Bopz-zaak is toekenning van schadevergoeding verzocht.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Bij vonnis van 30 maart 2010 heeft de rechtbank te Alkmaar op de voet van art. 37 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) gelast dat verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) voor de duur van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen. Het vonnis is op 1 april 2010 onherroepelijk geworden. Op 29 april 2010 is betrokkene vanuit het huis van bewaring opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Heiloo.
1.2. Bij verzoekschrift, ingekomen op 4 april 2011, heeft de officier van justitie aan de rechtbank te Alkmaar verzocht een machtiging te verlenen tot het voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis(1).
1.3. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 april 2011 heeft de rechtbank betrokkene, zijn raadsman en de behandelend psychiater gehoord. Bij die gelegenheid heeft de raadsman namens betrokkene verzocht om toekenning van schadevergoeding op de voet van art. 35 Wet Pro Bopz, op de grond - samengevat - dat het verzoek te laat door de officier van justitie is ingediend en dat betrokkene van 1 tot 13 april 2011 onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis is gehouden zonder dat daarvoor een titel bestond(2).
1.4. Bij beschikking van 13 april 2011 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend met een geldigheidsduur tot 1 april 2012. De rechtbank stelde vast dat de lopende verblijfstitel ex art. 37 Sr Pro op 1 april 2011 was verstreken(3) en dat de officier van justitie het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf eerst heeft gedaan op 4 april 2011. De rechtbank was van oordeel dat dit laatste niet in de weg staat aan het verlenen van de verzochte machtiging(4).
1.5. Het in alinea 1.3 bedoelde verzoek om schadevergoeding is door de rechtbank afgewezen op de volgende gronden:
"Het ontbreken van een sanctie als niet ontvankelijkheid van de officier van justitie betekent evenwel niet dat het te laat instellen van een vordering tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf steeds zonder enkel gevolg dient te blijven. Ingevolge artikel 35 van Pro de Wet Bopz kan in dergelijke gevallen een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding worden toegekend ten laste van de Staat. Voor toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 35 van Pro de Wet Bopz is vereist dat de gestelde schade aannemelijk is en kan worden aangemerkt als een gevolg van de niet in acht genomen bepalingen van de Wet Bopz.
Hoewel de hier relevante bepalingen van de Wet Bopz in het geval van betrokkene niet in acht zijn genomen en er daardoor een termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank - gelet op de medische verklaring en het verhandelde ter zitting - aannemelijk dat de gedwongen opname van betrokkene in de periode tussen 1 april 2011 en 13 april 2011 feitelijk noodzakelijk en gerechtvaardigd was. Indien de juiste formaliteiten waren betracht, dan was betrokkene gezien de stoornis en het gevaar steeds gedwongen opgenomen geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat betrokkene materieel niet in een andere situatie is komen te verkeren dan wanneer de bedoelde bepalingen onverkort zouden zijn nageleefd. Voorts is namens betrokkene geen ander nadeel gesteld dan dat hij had gerekend op een tijdige beslissing en hij (zo de rechtbank begrijpt) daarin is teleurgesteld. Hoewel begrijpelijk, acht de rechtbank dit onvoldoende voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding."
1.6. Namens betrokkene is - tijdig(5) - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1. De beide middelen van cassatie zijn uitsluitend gericht tegen de afwijzing van het hiervoor genoemde verzoek om schadevergoeding. De toewijzing van het verzoek van de officier van justitie is onherroepelijk geworden.
2.2. Onderdeel I klaagt dat de (tweede, in alinea 1.5 hiervoor aangehaalde) overweging van de rechtbank, inhoudend dat de opname tussen 1 en 13 april 2011 feitelijk noodzakelijk en gerechtvaardigd was en dat indien de juiste formaliteiten zouden zijn betracht betrokkene - gezien de stoornis en het gevaar - steeds gedwongen opgenomen zou zijn geweest, in strijd is met het bepaalde in de Wet Bopz en art. 5 (lid 1 en lid 5) EVRM, althans ontoereikend is gemotiveerd: indien de wettelijke bepalingen zouden zijn nageleefd, zou betrokkene niet zonder titel zijn vastgehouden. Onderdeel II is gericht tegen de daarop volgende overweging, dat het gestelde nadeel onvoldoende grond is voor toewijzing van een schadevergoeding. Volgens de klacht wordt immateriële schade verondersteld te zijn geleden indien aan iemand wederrechtelijk de vrijheid is ontnomen. Het middelonderdeel acht de redenering van de rechtbank in strijd met het bepaalde in de Wet Bopz en art. 5 EVRM Pro.
2.3. De eisen die de rechtbank in de door onderdeel I bestreden overweging stelt aan het oorzakelijk verband tussen de schade en de verweten gedraging, lijken mij te zijn ontleend aan de rechtspraak van de bestuursrechter betreffende verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad na vernietiging van het besluit van een bestuurorgaan. Die rechtspraak is op haar beurt geïnspireerd door de zgn. leer van Demogue en Besier(6). Aan de vraag of deze leer voor (overeenkomstige) toepassing in aanmerking komt indien de verzoeker stelt onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te zijn gehouden zonder dat daarvoor een rechtsgrondslag bestond, kom ik echter niet toe om de navolgende reden.
2.4. Ten aanzien van de beslissing tot het verlenen van de machtiging tot voortgezet verblijf sluit art. 17 lid Pro 2, in verbinding met art. 9 lid Pro 5, Wet Bopz hoger beroep uit. Tegen die beslissing is rechtstreeks beroep in cassatie mogelijk op grond van art. 398 Rv Pro. Met betrekking tot de beslissing op het verzoek om schadevergoeding daarentegen staat op de voet van art. 358 lid 1 Rv Pro gewoon hoger beroep open(7).
2.5. In een klachtprocedure op de voet van art. 41a Wet Bopz, waar het cassatieberoep zowel was gericht tegen de ongegrondverklaring van de klacht over een bepaalde behandeling als tegen de uit die ongegrondverklaring voortvloeiende afwijzing van het verzoek om schadevergoeding ter zake van diezelfde behandeling, heb ik het standpunt verdedigd dat de connexiteit van beide beslissingen meebracht dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding kon worden 'meegenomen' in het cassatieberoep tegen de ongegrondverklaring van de klacht(8). In de huidige zaak is van connexiteit geen sprake: het cassatieberoep is uitsluitend gericht tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. Bovendien staat het gestelde onrechtmatige overheidshandelen (de detentie vóór 13 april 2011) los van de beslissing op het verzoek van de officier van justitie.
2.6. De slotsom is dat betrokkene in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen: art. 78 lid 5 Wet Pro RO. De beslissing van de rechtbank op het verzoek om schadevergoeding kan desgewenst in hoger beroep worden voorgelegd aan het gerechtshof te Amsterdam(9).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Zie art. 15 in Pro verbinding met art. 51 lid 1 Wet Pro Bopz.
2 Zie nader: de bestreden beschikking, blz. 2 onder b. De andere aangevoerde grond voor schadevergoeding, die betrekking heeft op een detentie in 2010, is in cassatie niet langer aan de orde.
3 Dit oordeel vindt steun in HR 25 mei 1990, NJ 1990/826 m.nt. ThWvV: niet het tijdstip waarop de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen bepaalt de aanvang van het tijdvak van één jaar als bedoeld in art. 37 lid 1 Sr Pro, maar de dag waarop het vonnis van de strafrechter onherroepelijk is geworden.
4 Deze beslissing is in cassatie niet bestreden. De rechtbank heeft mogelijk het oog gehad op HR 19 januari 1996, NJ 1996/604 m.nt. JdB, maar in die zaak werd het verblijf in het ziekenhuis na het verstrijken van de eerdere machtiging geacht te zijn voortgezet op vrijwillige basis (rov. 3.3). Ik merk nog op dat indien het verzoekschrift tot verlening van een opvolgende machtiging vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging is ingediend, de voorgaande machtiging nog een zekere nawerking heeft omdat de geneesheer-directeur eerst op het in art. 48 lid Pro 1 (juncto art. 51 lid Pro 1) Wet Bopz genoemde tijdstip gehouden is de betrokkene ontslag uit het ziekenhuis te verlenen.
5 Het cassatierekest is op 13 juli 2011 als faxcopie ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
6 Over dit onderwerp is veel geschreven. Ik volsta op deze plaats met verwijzing naar H.D. van Wijk, Hoofdstukken van bestuursrecht, bewerkt door W. Konijnenbelt en R. van Male, 2008, blz. 759 - 767 met verdere vindplaatsen in de kantnoten. Zie voorts: Rb Arnhem 27 april 2009 (LJN: BI4997), BJ 2009/39 m.nt. H.E. Bröring, en de noot van W. Dijkers onder Rb Amsterdam 25 maart 2010 (LJN: BM7550), BJ 2010/52.
7 MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 239, nr. 3, blz. 9; Kamerstukken II 1990/91, 21 239, nr. 9, blz. 7; Tekst en Commentaar Gezondheidsrecht*, 2011, aant. 6 op art. 35 Wet Pro Bopz (P. Vlaardingerbroek).
8 Conclusie voor HR 16 maart 2007 (LJN: AZ3539), NJ 2007/378, BJ 2007/14 m.nt. Bröring, alinea's 3.24 - 3.27, en de conclusie voor HR 29 januari 2010 (LJN: BK5992), BJ 2010/4, alinea 2.20.
9 Zie voor de appeltermijn: art. 340 in Pro verbinding met art. 358 lid 2 Rv Pro.