ECLI:NL:PHR:2011:BT7590
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen afwijzing schadevergoeding Wet Bopz
Betrokkene was op grond van een vonnis voor de duur van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfstitel diende de officier van justitie een verzoek tot machtiging voortgezet verblijf in, maar dit verzoek werd te laat ingediend. Betrokkene werd daardoor onvrijwillig zonder geldige titel in het ziekenhuis gehouden van 1 tot 13 april 2011.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 35 Wet Pro Bopz af, omdat de gedwongen opname feitelijk noodzakelijk en gerechtvaardigd was en betrokkene materieel niet in een andere situatie verkeerde dan wanneer de formaliteiten wel waren nageleefd. Betrokkene stelde dat hem immateriële schade was toegebracht door de onrechtmatige vrijheidsbeneming.
In cassatie richtte betrokkene zich uitsluitend tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding gewoon hoger beroep openstaat en dat het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk is. Betrokkene kan het geschil over de schadevergoeding voorleggen aan het gerechtshof. De Hoge Raad ging niet inhoudelijk in op de materiële klachten.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is niet-ontvankelijk verklaard.