ECLI:NL:PHR:2011:BU1911
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering tot vernietiging van de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap wegens benadeling
De zaak betreft een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen de man en de vrouw na hun echtscheiding in 2003. Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, met onder meer een woning en een tandartspraktijk als activa en hypothecaire leningen als passiva. Na een regeling in der minne over de verdeling van de gemeenschap, waarbij de tandartspraktijk werd gewaardeerd op € 10.423,-, stelde de man dat hij benadeeld was en vorderde vernietiging van deze verdeling.
De rechtbank wees de vordering af, en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof overwoog dat bij de beoordeling van benadeling geen rekening kon worden gehouden met posten die niet in de verdeling waren betrokken, zoals een latente belastingschuld en achterstallige hypotheekbetalingen. Ook oordeelde het hof dat de man de lagere waarde van de praktijk te zijnen laste had aanvaard.
De man stelde in cassatie dat het hof ten onrechte uitging van de beschikbaarheid van jaarrekeningen uit 2001 en 2002 bij het sluiten van de regeling in 2004, en dat de belastinglatentie en hypotheekschuld wel degelijk meegewogen moesten worden. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof niet aannemelijk had gemaakt dat de jaarrekeningen in januari 2004 beschikbaar waren, maar dat de man wel bekend was met de hypothecaire schuld. De klachten van de man werden verworpen, en het cassatieberoep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap blijft in stand.