ECLI:NL:PHR:2011:BU2043
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw bij ontstaan schulden
Verzoeker heeft bij de rechtbank Utrecht een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat werd afgewezen omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij het aangaan van zijn schulden te goeder trouw was. Het hof Amsterdam bevestigde dit oordeel en stelde dat schulden die ontstaan door het nemen van onaanvaardbaar grote risico's door een ondernemer als niet te goeder trouw moeten worden aangemerkt.
Het hof oordeelde dat verzoeker de kredieten, die bijna driekwart van zijn totale schuldenlast uitmaken, niet had mogen afsluiten gezien de zwakke financiële positie van zijn onderneming. Het hof verwierp ook het beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro, omdat de omstandigheden die verzoeker aanvoerde onvoldoende opwogen tegen de omvang van de schuldenlast.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met specifieke omstandigheden zoals de toename van ZZP-ers in de bouw, een toezegging van de vorige werkgever, en het gebruik van het krediet voor levensonderhoud. De Hoge Raad verwierp deze klachten en oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het risico dat verzoeker niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen niet onaanvaardbaar groot was.
Het beroep op de hardheidsclausule werd eveneens verworpen omdat verzoeker onvoldoende had geconcretiseerd hoe hij zijn schulden zou aflossen. Het hof had terecht geoordeeld dat de inspanningen van verzoeker nog onvoldoende resultaat hadden opgeleverd. De Hoge Raad concludeerde daarom tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.