ECLI:NL:PHR:2011:BU6488
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verlies Nederlandse nationaliteit na Surinaamse onafhankelijkheid en afwijzing optie
De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoekster, geboren in Suriname als dochter van een Nederlandse vader, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. De kernvraag was of zij deze nationaliteit behield bij de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975, en zo niet, of zij deze later door optie had herwonnen.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster minderjarig was op het moment van de onafhankelijkheid en dat zij op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) de nationaliteit van haar vader volgde. Omdat haar ouders op dat moment in Suriname verbleven en de Surinaamse nationaliteit verkregen, verloor zij de Nederlandse nationaliteit. Tevens oordeelde de rechtbank dat verzoekster niet binnen vijf jaar na het bereiken van haar meerderjarigheid had geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit, waardoor zij deze niet had herwonnen.
Verzoekster kwam hiertegen in cassatie, stellende dat haar woonplaats op het moment van onafhankelijkheid bepalend was en dat de optietermijn onjuist was vastgesteld. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde de feitenvaststelling van de rechtbank en oordeelde dat de optietermijn juist begon bij het bereiken van meerderjarigheid, niet bij het 18e levensjaar. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verzoekster verloor haar Nederlandse nationaliteit bij Surinaamse onafhankelijkheid en herwon deze niet door optie.