ECLI:NL:PHR:2011:BU6488

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04870
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 18 lid 2 RWNArt. 1 WNIArt. 6 lid 1 TOSArt. 6 lid 4 TOS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verlies Nederlandse nationaliteit na Surinaamse onafhankelijkheid en afwijzing optie

De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoekster, geboren in Suriname als dochter van een Nederlandse vader, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. De kernvraag was of zij deze nationaliteit behield bij de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975, en zo niet, of zij deze later door optie had herwonnen.

De rechtbank stelde vast dat verzoekster minderjarig was op het moment van de onafhankelijkheid en dat zij op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) de nationaliteit van haar vader volgde. Omdat haar ouders op dat moment in Suriname verbleven en de Surinaamse nationaliteit verkregen, verloor zij de Nederlandse nationaliteit. Tevens oordeelde de rechtbank dat verzoekster niet binnen vijf jaar na het bereiken van haar meerderjarigheid had geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit, waardoor zij deze niet had herwonnen.

Verzoekster kwam hiertegen in cassatie, stellende dat haar woonplaats op het moment van onafhankelijkheid bepalend was en dat de optietermijn onjuist was vastgesteld. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde de feitenvaststelling van de rechtbank en oordeelde dat de optietermijn juist begon bij het bereiken van meerderjarigheid, niet bij het 18e levensjaar. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verzoekster verloor haar Nederlandse nationaliteit bij Surinaamse onafhankelijkheid en herwon deze niet door optie.

Conclusie

10/04870
Mr L. Strikwerda
Zt. 16 sept. 2011
conclusie inzake
[Verzoekster]
tegen
de Staat der Nederlanden
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft een verzoek op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Inzet is de vraag of verzoekster tot cassatie, hierna: [verzoekster], op grond van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Trb. 1975, 132, hierna: TOS, de bij haar geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit op het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd en de TOS in werking trad (25 november 1975) heeft behouden en, zo neen, of zij nadien door optie de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen.
2. In cassatie dient van de volgende feiten te worden uitgegaan (zie r.o. 3.1 van de beschikking van de rechtbank):
(i) [Verzoekster] is op [geboortedatum] 1963 geboren in het distrikt Suriname, Suriname, als wettig kind van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
(ii) [Verzoekster] verkreeg bij haar geboorte op grond van art. 1, aanhef en onder a, van de Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap (WNI) als dochter van een Nederlandse vader de Nederlandse nationaliteit.
(iii) Uit de basisadministratie van de gemeente Amsterdam blijkt dat [verzoekster] van 26 september 1975 tot 28 september 1978 in Nederland woonachtig was.
3. [Verzoekster] heeft op 11 juni 2009 bij de rechtbank te 's-Gravenhage op de voet van art. 17 RWN Pro een verzoekschrift tot vaststelling van haar Nederlanderschap ingediend. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij ten tijde van de onafhankelijkheid van Suriname (25 november 1975) haar Nederlandse nationaliteit heeft behouden, omdat zij toen haar woonplaats of werkelijk verblijf niet in Suriname had, maar in Nederland. Voorts heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij in augustus 1995 bij aanvraag van een toeristenvisum voor Nederland heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.
4. Verweerder in cassatie, hierna: de Staat, heeft bij brief van 11 maart 2010 als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat [verzoekster] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Volgens de Staat heeft verzoekster bij de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkregen, waardoor zij de Nederlandse nationaliteit verloor, en is niet gebleken dat [verzoekster] binnen vijf jaar na haar meerderjarigheid gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te opteren voor de Nederlandse nationaliteit.
5. Nadat de mondelinge behandeling van het verzoekschrift had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 augustus 2010 het verzoek van [verzoekster] afgewezen.
6. Ten aanzien van de vraag of [verzoekster] op 25 november 1975 haar Nederlandse nationaliteit heeft behouden, overwoog de rechtbank (r.o. 3.2):
"Ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS was verzoekster minderjarig, zodat zij op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 van Pro de TOS haar vader volgde in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit. De beide ouders van verzoekster verbleven op 25 november 1975 in Suriname en verkregen daardoor beiden de Surinaamse nationaliteit en verloren de Nederlandse nationaliteit."
7. Met betrekking tot de vraag of [verzoekster] door optie de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen, overwoog de rechtbank:
"3.3 Verzoekster heeft op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de TOS de gelegenheid gehad binnen vijf jaar na het bereiken van haar meerderjarigheid te opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster zou immers, indien zij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest, vanaf genoemde datum de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, omdat zij op dat moment woonachtig was in Nederland. Aangezien verzoekster door haar huwelijk op 12 oktober 1980 meerderjarig is geworden, liep de optietermijn af op 12 oktober 1985.
3.4 Nu niet is gesteld of gebleken dat verzoekster vóór 12 oktober 1985 heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit, komt de rechtbank tot het oordeel dat verzoekster op 25 november 1975 haar Nederlandse nationaliteit heeft verloren en nadien niet heeft herkregen. Artikel 6 lid 4 van Pro de TOS geeft verzoekster niet de mogelijkheid ná het verstrijken van de in dat artikel genoemde termijn van 5 jaar na het bereiken van de meerderjarigheid alsnog te opteren voor de Nederlandse nationaliteit."
8. [Verzoekster] is op de voet van art. 18 lid 2 RWN Pro tegen de beschikking van de rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De staat heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de middelen bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
9. Middel I is gericht tegen de verwerping door de rechtbank - in r.o. 3.2 - van de stelling van [verzoekster] dat zij ten tijde van de onafhankelijkheid van Suriname haar bij haar geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit heeft behouden. Het middel betoogt dat het oordeel van de rechtbank onjuist is, omdat de rechtbank heeft miskend dat voor de beoordeling van de vraag of [verzoekster] de Nederlandse nationaliteit heeft behouden alleen beslissend is waar [verzoekster] op het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd haar woonplaats of werkelijk verblijf had, en dat niet ter zake doet waar haar ouders toen verbleven.
10. Het middel faalt, omdat het oordeel van de rechtbank juist is. De rechtbank heeft, onbestreden in cassatie, vastgesteld dat [verzoekster] op het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd en de TOS in werking trad (25 november 1975) minderjarig was. Voorts heeft de rechtbank, eveneens onbestreden in cassatie, vastgesteld dat de ouders van [verzoekster] op dat tijdstip in Suriname verbleven en daardoor beiden de Surinaamse nationaliteit verkregen en de Nederlandse nationaliteit verloren. Uitgangspunt van de TOS is dat de minderjarige de nationaliteit van de vader volgt. Zie daarover H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, diss. 1998, blz. 113 e.v. Dit uitgangspunt is vastgelegd in art. 6 lid 1 van Pro de TOS. Is de vader overleden of wettelijk onbekend dan volgt de minderjarige de nationaliteit van de moeder (lid 1). Hetzelfde geldt indien en zolang de minderjarige met de moeder in een ander land verblijft dan de vader (lid 2). Uit hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld, volgt dat geen van deze uitzonderingen zich in het onderhavige geval voordoet. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat [verzoekster] op grond van het bepaalde in art. 6 lid 1 TOS Pro haar vader volgde in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.
11. Middel II keert zich tegen het oordeel van de rechtbank - in r.o. 3.3 - dat voor [verzoekster] de optietermijn als bedoeld in art. 6 lid 4 TOS Pro afliep op 12 oktober 1985. Zie ik het goed dan strekt het middel ten betoge dat het oordeel van de rechtbank in strijd is zowel met art. 7, aanhef en onder 5, WNI, als met art. 6 lid 4 TOS Pro.
12. Voor zover het middel de rechtbank schending van art. 7, aanhef en onder 5, WNI verwijt, moet het reeds falen omdat het bepaalde in art. 7, aanhef en onder 5, WNI slechts van toepassing is op buiten het Koninkrijk (en de Republiek Indonesië) geboren Nederlanders. Uit hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld, volgt dat [verzoekster] is geboren binnen het Koninkrijk. Het bepaalde in art. 7, aanhef en onder 5, WNI is op [verzoekster] derhalve niet van toepassing.
13. Voor zover het middel de rechtbank schending van art. 6 lid 4 TOS Pro verwijt, kan het evenmin doel treffen. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, vangt de in art. 6 lid 4 TOS Pro bedoelde optietermijn van vijf jaar niet aan bij het bereiken door betrokkene van het 18e levensjaar, maar bij het bereiken van de meerderjarigheid. De rechtbank heeft, onbestreden in cassatie, vastgesteld dat [verzoekster] - vanwege haar huwelijk op die datum - op 12 oktober 1980 meerderjarig is geworden. Het oordeel van de rechtbank dat de optietermijn voor [verzoekster] afliep op 12 oktober 1985 is derhalve juist. Van schending door de rechtbank van art. 6 lid 4 TOS Pro is geen sprake.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,