AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Begrip aflevering in wegvervoer en aansprakelijkheid bij diefstal lading na weigering ontvangst
In deze zaak stond centraal of en wanneer aflevering van roestvrijstalen buizen door Tele Tegelen aan Stainalloy had plaatsgevonden, en daarmee het einde van de vervoerovereenkomst. Op 13 november 2001 werden twee opleggers met buizen aangeboden bij Stainalloy, waarbij de eerste oplegger werd gelost en de tweede werd geweigerd wegens ruimtegebrek. De chauffeur parkeerde de tweede oplegger met lading op de openbare weg nabij het terrein van Stainalloy. Later werd aangifte gedaan van diefstal van deze oplegger en lading.
De rechtbank oordeelde dat de vervoerovereenkomst op 13 november was geëindigd en wees de vordering af. Het hof stelde echter vast dat geen wilsovereenstemming bestond over aflevering van de tweede lading, omdat Stainalloy de goederen niet in ontvangst had genomen en geen instructie had gegeven om de oplegger op de openbare weg te plaatsen. Hierdoor was de vervoerovereenkomst niet geëindigd en bleef Tele Tegelen aansprakelijk voor de schade.
De Hoge Raad bevestigde dat aflevering in wegvervoer vereist dat de vervoerder de macht over de goederen met instemming van de geadresseerde opgeeft en deze in staat stelt feitelijke macht uit te oefenen. Het enkele feit dat de chauffeur met de lading arriveerde, is onvoldoende zonder medewerking of wilsovereenstemming van de geadresseerde. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat Tele Tegelen aansprakelijk is voor de schade door diefstal, omdat geen geldige aflevering had plaatsgevonden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen aflevering heeft plaatsgevonden, waardoor Tele Tegelen aansprakelijk blijft voor de schade door diefstal.
Conclusie
10/02760
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 14 oktober 2011
Conclusie inzake:
Tele Tegelen B.V.
tegen
Stainalloy Nederland B.V.
In deze zaak van binnenlands vervoer over de weg heeft het cassatiemiddel betrekking op de vraag of en, zo ja, hoe aflevering van de lading heeft plaatsgevonden.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in het vonnis van de rechtbank onder 2 en in het bestreden tussenarrest van 27 maart 2007, onder 4.1 - 4.1.6 en onder 4.3.2. Samengevat houden zij het volgende in:
1.1.1. Gedaagde in cassatie (hierna: Stainalloy), heeft op 9 november 2001 schriftelijk opdracht gegeven aan eiseres tot cassatie (hierna: Tele Tegelen) tot het vervoer van roestvrijstalen buizen. Het betrof een retourzending vanaf een afnemer in Urmond naar een terrein van Stainalloy te Sliedrecht.
1.1.2. Partijen zijn nader(1) overeengekomen dat aflevering zou plaatsvinden op 13 november 2001.
1.1.3. Tele Tegelen heeft voor de uitvoering van het vervoer KPB Transporten B.V. ingeschakeld. Voor het transport zijn twee voertuigen gebruikt en twee vrachtbrieven opgemaakt. Hierbij is gebruik gemaakt van CMR-vrachtbrieven die voor binnenlands vervoer verwijzen naar de "AVC-83", laatste versie(2).
1.1.4. De buizen waarop vrachtbrief nr. 609753 betrekking heeft zijn geladen op de eerste oplegger. Deze zijn op 13 november 2001 afgeleverd op het terrein van Stainalloy, die voor ontvangst heeft getekend. De buizen waarop vrachtbrief nr. [001] betrekking heeft zijn geladen op de tweede oplegger. De chauffeur van de trekker met de tweede oplegger heeft zich op 13 november 2001 met deze lading bij Stainalloy gemeld.
1.1.5. Over wat toen besproken is, verschillen partijen van mening. In ieder geval heeft de chauffeur de tweede oplegger met de lading buizen op 13 november 2001 geparkeerd op of aan de openbare weg te Sliedrecht, op ongeveer 100 meter afstand van het terrein van Stainalloy op een plek waar geen bewaking of beveiliging was.
1.1.6. Op 23 november 2001 is namens Stainalloy aangifte gedaan van diefstal van de oplegger met de lading buizen. Volgens het proces-verbaal van aangifte zou de diefstal zijn gepleegd tussen 13 en 20 november 2001. Op 23 november 2001 is de oplegger met een gedeelte van de lading buizen elders teruggevonden. Het teruggevonden gedeelte van de lading is door KPB naar Stainalloy vervoerd.
1.1.7. Stainalloy heeft Tele Tegelen aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van de ladingdiefstal.
1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 15 mei 2003 heeft Stainalloy van Tele Tegelen een schadevergoeding gevorderd van € 165.456,99, vermeerderd met vertragingsrente op grond van de AVC 1983 en met gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.
1.3. Aan haar vordering heeft Stainalloy ten grondslag gelegd dat Tele Tegelen niet heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge de vervoerovereenkomst om de ten vervoer ontvangen buizen ter bestemming af te leveren in de staat waarin zij deze heeft ontvangen. Subsidiair, indien de lading wordt geacht op 13 november 2001 aan haar te zijn afgeleverd, heeft Stainalloy aangevoerd dat tussen partijen een overeenkomst van bewaarneming tot stand is gekomen en dat Tele Tegelen is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als bewaarnemer(3).
1.4. Tele Tegelen heeft als verweer aangevoerd dat zij aan haar verplichtingen uit de vervoerovereenkomst heeft voldaan door op 13 november 2001 de lading op de bestemde plaats aan Stainalloy aan te bieden. Stainalloy kon de buizen op dat moment niet kwijt op haar terrein. Stainalloy heeft, in een telefonisch overleg tussen partijen, de oplegger voor een aantal dagen van Tele Tegelen gehuurd tegen een gebruiksvergoeding per dag. Vervolgens heeft de chauffeur op aanwijzing van de directeur van Stainalloy de oplegger afgekoppeld en deze met de lading buizen op korte afstand van het terrein van Stainalloy op de openbare weg laten staan. De vervoerovereenkomst was daarmee geëindigd en vanaf dat moment was volgens Tele Tegelen het risico van diefstal voor Stainalloy.
1.5. In reactie hierop heeft Stainalloy bevestigd dat de chauffeur zich op 13 november 2001 bij haar heeft gemeld met de (tweede) oplegger met buizen. Door oorzaken die zij aan Tele Tegelen toerekende(4) kon volgens Stainalloy de tweede lading op dat moment niet worden gelost wegens fysiek ruimtegebrek op het terrein. Volgens Stainalloy is in het telefonisch overleg tussen partijen afgesproken dat Stainalloy aan Tele Tegelen zou laten weten wanneer zij de lading opnieuw zou kunnen aanbieden. Toen Tele Tegelen liet weten dat daaraan kosten waren verbonden voor het voortgezet gebruik van de oplegger van KPB Transporten, heeft Stainalloy met een dagvergoeding voor de oplegger ingestemd. Stainalloy bestrijdt dat zij instructie zou hebben gegeven om de oplegger met de lading op een onbeveiligde plaats of aan de openbare weg te plaatsen.
1.6. De rechtbank te Roermond heeft bij tussenvonnis van 30 juli 2003 een comparitie gelast. Tijdens deze comparitie heeft de rechtbank mondeling, de bewijslastverdeling uitdrukkelijk in het midden latend(5), beide partijen toegelaten tot het verhoor van getuigen.
1.7. Na wederzijds getuigenverhoor heeft de rechtbank bij vonnis van 24 november 2004 de vordering afgewezen. De rechtbank achtte van belang of de vervoerovereenkomst is geëindigd op 13 november 2004, zoals Tele Tegelen had gesteld, dan wel is geëindigd op 29 november 2001 (de datum waarop de teruggevonden oplegger met het restant van de lading alsnog naar Stainalloy werd gebracht), zoals Stainalloy stelde. De rechtbank legde de bewijslast bij Stainalloy (rov. 5.3 Rb) en kwam na bespreking van de getuigenverklaringen tot de slotsom dat Stainalloy niet in het bewijs is geslaagd (rov. 5.6 Rb). De rechtbank besliste dat de vervoerovereenkomst op 13 november 2001 is geëindigd en dat de schade als gevolg van de diefstal niet voor rekening van Tele Tegelen komt.
1.8. Stainalloy heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 27 maart 2007 (LJN: BA2466) heeft het hof onderzocht of Stainalloy is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de oplegger zonder haar instructie op de openbare weg is geparkeerd (rov. 4.3.5). Het hof beantwoordde die vraag bevestigend (rov. 4.3.7). Het hof kwam in samenhang met andere feiten tot de slotsom dat, anders dan de rechtbank had geoordeeld, de vervoerovereenkomst niet op 13 november 2001 was geëindigd met de aflevering van de buizen aan Stainalloy. Tele Tegelen heeft derhalve niet voldaan aan haar verplichting om alle buizen ter bestemming af te leveren in de staat waarin zij deze had ontvangen. Het hof hield Tele Tegelen aansprakelijk voor de schade.
1.9. Met betrekking tot de omvang van de schade als gevolg van de diefstal verzocht het hof inlichtingen aan partijen. Bij tussenarrest van 9 oktober 2007 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aan te wijzen deskundige. Bij tussenarrest van 1 april 2008 heeft het hof een deskundige benoemd. Nadat deze rapport had uitgebracht heeft het hof de schade als gevolg van de diefstal vastgesteld op € 103.642,-. Bij eindarrest van 30 maart 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw recht doende, genoemd bedrag aan Stainalloy toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.
1.10. Tele Tegelen heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Tegen Stainalloy is in cassatie verstek verleend. Tele Tegelen heeft het cassatieberoep schriftelijk laten toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Ter inleiding valt het volgende op te merken. Art. 8:21 BWPro bepaalt voor goederenvervoer in het algemeen dat de vervoerder verplicht is de ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat waarin hij hen heeft ontvangen. Art. 8:1095 BWPro herhaalt deze verplichting voor de wegvervoerder. Deze verplichting van een vervoerder pleegt niet als een inspanningsverplichting te worden beschouwd, maar als een resultaatsverplichting(6). Wanneer de vervoerder de zaken niet ter bestemming aflevert is hij verplicht tot schadevergoeding tenzij hij zich kan beroepen op een wettelijke(7) of op een overeengekomen grond voor uitsluiting van aansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid van de wegvervoerder neemt een aanvang zodra hij de te vervoeren zaken in ontvangst neemt. Zij eindigt op het tijdstip van de aflevering van de goederen(8). De regeling in Boek 8 BW is geïnspireerd door die in het CMR. Dat de formulering van art. 8:1095 BWPro afwijkt van art. 17 lid 1 CMRPro(9), vindt zijn oorzaak hierin dat de wetgever heeft willen benadrukken dat ook de aflevering van de zaken aan een ander dan de geadresseerde een tekortkoming van de vervoerder inhoudt.
2.2. In het algemeen wordt onder aflevering verstaan: de overhandiging of terbeschikkingstelling van de goederen aan de geadresseerde. Het enkele feit van de aankomst van het voertuig met de lading op de plaats van bestemming is niet voldoende om van 'aflevering' te spreken. In HR 24 maart 1995, NJ 1996, 317 m.nt. R.E. Japikse, nam de Hoge Raad afstand van de opvatting dat onder 'aflevering' als bedoeld in art. 17 lid 1 CMRPro slechts kan worden verstaan: de feitelijke lossing of afgifte van de vervoerde goederen. De Hoge Raad overwoog:
"De tekst van art. 17 lidPro 1, waarin geen nadere omschrijving van het begrip aflevering is opgenomen, geeft geen grond voor een zo beperkte uitleg van dit begrip, terwijl een dergelijke uitleg ook tot onredelijke, niet met de strekking van de CMR strokende uitkomsten kan leiden in gevallen waarin ingevolge de vervoerovereenkomst het lossen van de lading door de wederpartij van de vervoerder dient te geschieden; in deze gevallen ligt het voor de hand, het tijdstip waarop de wederpartij na aankomst ter destinatie de feitelijke beschikking over de goederen verkrijgt, aan te merken als het tijdstip van aflevering."(10)
2.3. In een arrest van 20 april 1979, NJ 1980, 518 m.nt. B. Wachter, had de Hoge Raad al overwogen dat de CMR niet uitsluit dat vervoerde goederen, na aankomst ter destinatie, krachtens een andere overeenkomst dan de vervoerovereenkomst onder de vervoerder blijven berusten en dat dan met ingang van het tijdstip waarop die andere overeenkomst in werking treedt, de vervoerovereenkomst eindigt. Een voorbeeld hiervan is de vervoerovereenkomst die wordt gevolgd door een overeenkomst tot bewaarneming tussen dezelfde partijen.
2.4. Art. 8:1132 BWPro geeft een regel voor de situatie waarin de geadresseerde niet meewerkt aan de inontvangstneming van de vervoerde goederen:
"1. Voor zover hij die jegens de vervoerder recht heeft op aflevering van vervoerde zaken niet opkomt, weigert deze te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst neemt, of voor zover op zaken beslag is gelegd, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor geschikte bewaarplaats. Op zijn verzoek kan de rechter bepalen dat hij deze zaken, desgewenst ook in het voertuig, onder zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen. Hij is verplicht de afzender zo spoedig mogelijk op de hoogte te houden.
2. De derde-bewaarnemer en de ontvanger zijn jegens elkaar verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf."
2.5. In dit geding heeft Tele Tegelen geen beroep gedaan op art. 8:1132 BWPro. In haar visie heeft de aflevering van de vervoerde buizen ter bestemming op 13 november 2001 plaatsgevonden doordat de chauffeur van Tele Tegelen zich met deze lading aan het adres van Stainalloy ter aflevering meldde en de directeur van Stainalloy - na telefonisch overleg tussen partijen - aan de chauffeur van Tele Tegelen instructie gaf om de oplegger met de lading nabij het terrein van Stainalloy op de openbare weg neer te zetten. Het geschil heeft zich dan ook toegespitst op de vraag of op dat moment, dus nog op 13 november 2001, een behoorlijke aflevering van de vervoerde goederen aan Stainalloy heeft plaatsgevonden.
2.6. Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het tussenarrest van 27 maart 2007. Het middel verenigt zich met het oordeel dat beslissend is of Tele Tegelen de lading van de (tweede) oplegger heeft afgeleverd aan Stainalloy en, zo ja, op welk moment. Het middelonderdeel somt acht stellingen op, te weten:
(i) dat beide opleggers in de ochtend van 13 november 2001 bij het terrein van Stainalloy zijn aangekomen om te lossen;
(ii) dat Stainalloy toen de eerste oplegger heeft gelost;
(iii) dat Stainalloy heeft geweigerd de tweede oplegger te lossen om een haar moverende reden, te weten dat voor deze (de tweede) lading volgens haar geen plaats was op het terrein;
(iv) dat Stainalloy in verband hiermee die ochtend telefonisch contact heeft opgenomen met Tele Tegelen en haar heeft verzocht de tweede oplegger te mogen huren (waarbij deze zou worden afgekoppeld van de trekker);
(v) dat Tele Tegelen over dit verzoek telefonisch overleg heeft gevoerd met KPB, de eigenaar van de oplegger, die hiermee instemde;
(vi) dat Tele Tegelen hierop met Stainalloy een vergoeding voor het gebruik van de oplegger is overeengekomen van f 85,- per dag, welke ook is gefactureerd;
(vii) dat Tele Tegelen en KPB hebben begrepen dat de oplegger zou worden afgekoppeld op het terrein van Stainalloy;
(viii) dat de lading hiermee ter beschikking van Stainalloy was gesteld en dus aan haar is afgeleverd, waarmee de vervoerovereenkomst was geëindigd en is overgegaan in een overeenkomst tot het gebruik van de oplegger.
Het middelonderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof aan deze stellingen is voorbijgegaan, althans daarop onvoldoende is ingegaan: uitgaande van deze stellingen is reeds beslissend dat de lading op de overeengekomen plaats van bestemming aan Stainalloy is aangeboden en dat Stainalloy ervoor heeft gekozen niet tot lossing over te gaan maar, in plaats daarvan, een huur- of gebruiksovereenkomst met betrekking tot de oplegger te sluiten.
2.7. Deze klacht faalt, omdat het hof niet is voorbijgegaan aan deze stellingen. In rov. 4.3.4 heeft het hof, in zoverre in cassatie onbestreden, uitgemaakt dat Stainalloy niet geacht kan worden de beschikking over de lading te hebben verkregen door het feit dat de lading is achtergelaten in een oplegger die zonder een daartoe strekkende instructie van Stainalloy is geparkeerd op de openbare weg in de nabijheid van het terrein van Stainalloy. In de redenering van het hof is voor het antwoord op de vraag of op 13 november 2001 een behoorlijke aflevering van de goederen heeft plaatsgevonden, beslissend:
* dat het tweede voertuig op 13 november 2001 is aangekomen te Sliedrecht en dat Stainalloy heeft geweigerd de lading op dat moment in ontvangst te nemen (rov. 4.3.3);
* dat uit de getuigenverklaringen omtrent het overleg tussen partijen (en tussen Tele Tegelen en KPB Transporten) "niet anders blijkt dan dat de oplegger op het eigen terrein van Stainalloy moest worden geparkeerd" (rov. 4.3.6);
* dat Stainalloy heeft bewezen dat zij geen instructie heeft gegeven om de oplegger met de lading op of aan de openbare weg te plaatsen (rov. 4.3.6 - 4.3.7).
Bij dit bewijsoordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat de oplegger is achtergelaten zonder dat de chauffeur de vrachtbrief door Stainalloy heeft laten tekenen voor correcte ontvangst en dat op de - niet door de geadresseerde ondertekende - vrachtbrief iedere bemerking van of zijdens de vervoerder omtrent de reden daarvan ontbreekt (rov. 4.3.6).
2.8. Hieruit volgt dat het hof niet heeft miskend dat mogelijk is dat vervoerde goederen, na aankomst ter destinatie, krachtens een andere overeenkomst dan de vervoerovereenkomst onder de vervoerder blijven berusten en, in dat geval, met ingang van het tijdstip waarop die andere overeenkomst in werking treedt de vervoerovereenkomst eindigt. Indien Stainalloy aan de chauffeur van Tele Tegelen instructie zou hebben gegeven om de (oplegger met de) goederen onbewaakt op de openbare weg te plaatsen, zou in de redenering van het hof sprake kunnen zijn geweest van een geldige aflevering op dat moment, maar een daartoe strekkende instructie van de zijde van Stainalloy is volgens het hof niet komen vaststaan. De redengeving van het hof sluit evenmin uit dat, indien Stainalloy aan Tele Tegelen instructie zou hebben gegeven om de (oplegger met de) goederen op het terrein van Stainalloy te plaatsen en Tele Tegelen aan die instructie zou hebben voldaan, sprake had kunnen zijn van een geldige aflevering op dat moment. Echter, die situatie doet zich niet voor, omdat de chauffeur de oplegger met de goederen niet op het terrein van Stainalloy, maar buiten dat terrein op de openbare weg heeft geplaatst.
2.9. Het hof is evenmin voorbijgegaan aan het gestelde feit dat de door Tele Tegelen ingeschakelde chauffeur de lading aan Stainalloy heeft aangeboden(11). Het hof heeft immers relevant geacht dat Stainalloy heeft geweigerd de lading op dat moment in ontvangst te nemen (rov. 4.3.3). Op de hiermee verband houdende rechtsklacht kom ik hieronder nog terug.
2.10. De klacht die voorwaardelijk is voorgesteld voor het geval dat de bestreden beslissing hierop zou berusten dat de stellingen onder (i) tot en met (viii) niet door Tele Tegelen zijn aangevoerd(12), mist feitelijke grondslag omdat de beslissing niet daarop berust. De klacht dat het hof zijn taak als appelrechter heeft verwaarloosd door, na gegrondbevinding van een grief van Stainalloy, niet alle verweren van Tele Tegelen opnieuw of alsnog te beoordelen(13), behoeft na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking meer.
2.11. Op blz. 4 van de cassatiedagvaarding wordt geklaagd dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof van oordeel is dat de onder (i) tot en met (viii) vermelde stellingen niet het door Tele Tegelen ingeroepen rechtsgevolg kunnen hebben. Volgens de klacht heeft aflevering van de vervoerde goederen op 13 november 2001 plaatsgevonden door (het enkele feit van) de aanbieding van de lading aan Stainalloy op de plaats van bestemming, waardoor Stainalloy de feitelijke beschikking over de lading heeft gekregen. Subsidiair wordt geklaagd over het passeren van het aanbod van Tele Tegelen om deze stellingen door middel van getuigen te bewijzen.
2.12. De rechtsklacht faalt. In het algemeen wordt aangenomen dat de aflevering enige medewerking van de geadresseerde vereist. Voor aflevering van goederen door een vervoerder is een daarop gerichte wilsovereenstemming tussen de vervoerder en de geadresseerde nodig: de vervoerder kan niet ermee volstaan de goederen "op de stoep te zetten" (tenzij de geadresseerde zelf om die wijze van afleveren heeft gevraagd, maar dan is er sprake van wilsovereenstemming). Veelal neemt de geadresseerde de goederen in ontvangst na lossing. In gevallen waarin overeengekomen is dat de geadresseerde zelf zorg draagt voor het lossen van de lading, kan voor een geldige aflevering voldoende zijn dat de vervoerder aan de geadresseerde de feitelijke macht over de goederen verschaft, bijvoorbeeld door afgifte van de sleutels van de container of door in het bijzijn van de geadresseerde de laadklep te openen en aan diens heftruck toegang te verschaffen, waarna de geadresseerde de goederen lost. Bewijs van de aflevering kan op de gewone wijze worden geleverd, bijvoorbeeld door middel van de ondertekening van de vrachtbrief door de geadresseerde voor ontvangst.
2.13. Het hof heeft de in het middelonderdeel genoemde stellingen kennelijk - en niet onbegrijpelijk - aldus verstaan dat Stainalloy niet heeft meegewerkt aan de aflevering, toen de chauffeur zich bij haar in Sliedrecht meldde met deze lading. Van een aflevering op het moment waarop de chauffeur zich meldde was geen sprake: zij werden toen geweigerd (omdat er geen losgelegenheid zou zijn). Stainalloy heeft op dat ogenblik in elk geval niet de feitelijke beschikking over de goederen verkregen, noch blijkt uit het gestelde dat op dat tijdstip sprake was van wilsovereenstemming over aflevering. In het vervolgens gevoerde overleg tussen partijen is voor een andere oplossing gekozen. De discussie in de feitelijke instanties ging verder over de vraag of nadien, op een later tijdstip diezelfde dag, alsnog aflevering heeft plaatsgevonden. In dat verband was in geschil of Stainalloy wel of niet instructie aan de chauffeur heeft gegeven om de oplegger met de goederen buiten het terrein op de openbare weg te zetten. Aan het bewijsaanbod van Tele Tegelen kwam het hof niet toe, omdat ook in de stellingname van Tele Tegelen de goederen waren geweigerd toen zij door de vervoerder aan Stainalloy werden aangeboden. Het hof heeft derhalve mogen oordelen dat op dat tijdstip geen sprake was van aflevering.
2.14. Onderdeel 2 is gericht tegen de overwegingen en beslissingen (ook in de latere arresten van het hof), waarin het hof voortbouwt op zijn oordeel in het tussenarrest van 27 maart 2007 over de aansprakelijkheid van Tele Tegelen. Het middelonderdeel behoeft na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 In afwijking van de schriftelijke opdrachtbevestiging: zie rov. 4.3.2 van het tussenarrest van 27 maart 2007, in cassatie onbestreden.
2 De afkorting staat voor: Algemene Vervoercondities 1983. Een exemplaar is overgelegd bij memorie van grieven. Anders dan de rechtbank (rov. 5.1 Rb), is het hof ervan uitgegaan dat de A.V.C. 1983 op de vervoerovereenkomst tussen partijen van toepassing zijn (rov. 4.3.1).
3 Zie de samenvatting in rov. 4.2.2 van het tussenarrest, in verbinding met de inleidende dagvaarding onder 5 (primair) en onder 16 (subsidiair).
4 Volgens Stainalloy werden teveel buizen tegelijk ter lossing aangeboden: anders dan aanvankelijk was voorzien meldden de chauffeurs van beide vrachtwagens zich op dezelfde ochtend bij Stainalloy; bovendien was de tweede oplegger zwaarder beladen dan toegestaan (conclusie na comparitie, blz. 5). Het hof heeft deze punten wel genoemd in rov. 4.3.2 en in zijn weergave van de getuigenverklaringen ("Volgens de verklaring van [betrokkene 1] [directeur van Stainalloy, noot A-G] heeft hij Tele Tegelen voorgehouden dat het haar probleem was dat ook door haar moest worden opgelost"), maar is niet meer toegekomen aan een beslissing daarover: zie rov. 4.3.7 aan het slot.
5 Zie rov. 5.4 Rb en blz. 2 van het proces-verbaal van comparitie d.d. 18 augustus 2003.
6 Van deze wettelijke bepaling kan slechts beperkt door partijen worden afgeweken: zie art. 8:1102 BWPro.
7 Zoals overmacht (zie art. 8:23 respPro. art. 8:1098 BWPro).
8 Parl. Gesch. Boek 8, blz. 1039.
9 Art. 17 lid 1 CMRPro luidt: "De vervoerder is aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke is ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering."
10 Zie nadien nog: HR 5 september 1997, NJ 1998, 63 m.nt. R.E. Japikse, over het tijdstip van aflevering van over zee onder cognossement vervoerde zaken; Rb Roermond 23 februari 2011, LJN: BP6522; Rb Rotterdam 2 mei 2007 (LJN: BJ8404), S&S 2009, 77; M.F. Schouten, De aflevering van goederen bij wegvervoer onder het regiem van de CMR nader belicht, Tijdschrift Vervoer en Recht 2010, blz. 94 - 101; M.L. Hendrikse en Ph.H.J.G. van Huizen (red.), CMR, internationaal vervoer van goederen over de weg, 2005, blz. 116 - 117.