ECLI:NL:PHR:2012:BT8947
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ontvankelijkheid klaagschrift inzake beslag op motor in strafzaak met meerdere verdachten
In deze zaak gaat het om een klaagschrift tegen het beslag op een motorfiets, die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen meerdere verdachten is inbeslaggenomen. Het hof verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat het na de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de vervolging was ingediend. Het hof stelde echter alleen vast dat de vervolging van de klager was beëindigd, maar onderzocht niet of ook de vervolgingen van de medeverdachten waren afgerond.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij een strafzaak met meerdere verdachten de vervolging pas is geëindigd als de vervolgingen van alle verdachten zijn beëindigd. Omdat het hof dit niet had vastgesteld, was de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift onvoldoende gemotiveerd en onjuist voor zover het de motor betreft.
De motor was verkocht op grond van art. 117 lid 2 Sv Pro, waardoor het beslag op de opbrengst daarvan rust. Voor de auto, die was teruggegeven, was het klaagschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden vonnis voor zover het de motor betreft en verwijst de zaak terug voor nadere beslissing, terwijl het cassatieberoep voor zover het de auto betreft niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover het de motor betreft en de zaak wordt terugverwezen; het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor zover het de auto betreft.