ECLI:NL:PHR:2012:BU1987
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen gebondenheid verenigingsleden aan door vereniging met derden gesloten overeenkomst zonder expliciete statutaire bevoegdheid
In deze zaak kochten eiser en mede-eisers een perceel met bungalow op het park van Hessenheem. Hessenheem sloot een overeenkomst met de belangenvereniging van bewoners over hogere beheervergoedingen vanwege permanente bewoning. Hessenheem bracht deze extra kosten door aan de leden, waaronder eiser c.s., die gedeeltelijk niet betaalden.
Hessenheem vorderde betaling bij de kantonrechter, die oordeelde dat de vereniging haar leden kon binden op grond van een statutaire bepaling (art. 14 lid Pro 5). Eiser c.s. betwistten dit en stelden dat deze bepaling slechts betrekking heeft op vertegenwoordiging van de vereniging door het bestuur, niet op het binden van leden aan verplichtingen.
De Hoge Raad stelt vast dat art. 2:46 BW Pro vereist dat de bevoegdheid van een vereniging om verplichtingen ten laste van leden aan te gaan expliciet in de statuten moet zijn neergelegd. De statuten van de Vereniging bevatten geen dergelijke expliciete bepaling. De kantonrechter heeft daarom een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd.
Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk wegens art. 80 RO Pro, omdat de klachten niet kunnen worden beoordeeld zonder de juistheid van de rechtsopvatting van de kantonrechter te toetsen. Voor het geval anders wordt geoordeeld, wordt het cassatieberoep alsnog verworpen. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een expliciete statutaire bevoegdheid om leden te binden.