1 Voor zover thans van belang. Zie het vonnis van de rb. Rotterdam van 5 november 1998 onder 2.1-2.8 (met de correctie die het hof Den Haag op het onder 2.4 vermelde feit heeft aangebracht in zijn tussenarrest van 20 november 2001, rov. 2), van welke feiten het hof in de onderhavige zaak wederom is uitgegaan (zie rov. 1 van het arrest van het hof Den Haag van 27 november 2007). Het hof heeft in rov. 2 van zijn tussenarrest van 27 november 2007 de hierboven onder 1.1 geciteerde samenvatting van de feiten gegeven.
2 Eveneens voor zover in cassatie van belang.
3 De cassatiedagvaarding is op 9 april 2010 uitgebracht. Het A-dossier bevat enkele niet-geschoonde stukken.
4 Zie Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 66 met voorbeelden en verdere verwijzingen; Asser Procesrecht Bakels/Hammerstein & Wesseling-van Gent, 4 2009, nr. 155.
5 HR 25 november 1966, LJN AB5797 (NJ 1967/72).
6 Zie bijv. HR 24 september 1993, LJN ZC1074 (NJ 1994/227 m.nt. H.E. Ras); HR 9 oktober 1998, LJN ZC2732 (NJ 1999/195 m.nt. A.R. Bloembergen) en HR 12 september 2003, LJN AF8560 (NJ 2003, 604).
7 In bijv. HR 21 juni 1991, LJN ZC0289 (NJ 1991/710) was daarvan geen sprake.
8 HR 12 november 1999, LJN AA3800 (NJ 2000, 68).
9 Zie Snijders/Wendels, 2009, nr. 64-78; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nrs. 152-158; D. Roffel, Het laatste woord van de rechter - de bindende eindbeslissing in het tussenvonnis, 2007, hfdst. 4, p. 67 e.v. met verdere verwijzingen; P.A. Fruytier, De leer van de bindende eindbeslissing in dezelfde instantie, in hoger beroep en na verwijzing na HR 25 april 2008, NJ 2008, 553 ([E]/Gemeente Voorst), par. 5 en 6 en de aldaar aangehaalde literatuur en jurisprudentie.
10 Zie Snijders/Wendels, 2009, nr. 219; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 133 en T.H. Tanja-van den Broek, De devolutieve werking van het hoger beroep, EB 2005, 58. Zie over de positieve en negatieve zijde van de devolutieve werking en de toelaatbare nova ook Snijders/Klaassen/Meijer, 2011, nr. 257, p. 305.
11 HR 24 december 1999, LJN AA4007 (NJ 2000/428 m.nt. H.J. Snijders).
12 HR 15 maart 1991, NJ 1992/228 m.nt. H.J. Snijders en HR 15 januari 1999, NJ 1999/574.
13 Zie ook Snijders/Wendels, 2009, nr. 223; Burgerlijke Rechtsvordering, Ynzonides en Van Geuns, art. 347, aant. 10; V. van den Brink, Stellen, betwisten, bewijzen - een handleiding, PP 2008/4, p. 100.
14 Hovens, 2007, nr. 4.3.4, p. 95.
15Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 139, met verwijzing naar Ras/Hammerstein, nr. 76 en Hovens, diss. 2005, nr. 302; vgl. G.J. Knijp, Devolutieve werking van het appèl, NbBW 2002/12, p. 163.
16 Ras/Hammerstein, 2004, nr. 76; Snijders/Wendels, 2009, nr. 223, p. 207.
17 HR 1 november 2002, LJN AE7360 (JBPr 2003/4 m.nt. mr. H.W. Wiersma; NJ 2005/281).
18 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 217.
19 Snijders/Wendels, 2009, nr. 223, p. 208.
20 HR 11 juni 2004, LJN AO6015 (JBpr 2004/51 m.nt. M.A.J.G. Janssen; NJ 2005/282 m.nt. H.J. Snijders).
21 H.W. Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, diss. 1998, nr. 176; zie ook de noot van Wiersma onder Sunmaster/[B] in JBPr 2003/4, nr. 4.
22 Snijders/Wendels, 2009, nr. 223, p. 209, laatste alinea.
23 A. Hammerstein, TCR 2006/4, p. 117.
24 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 140 en 141.
25 HR 30 januari 2009, LJN BG5053 (JBPr 2009/15 m.nt. P.S. Bakker en B. Hoyng; NJ 2010/497).
26 Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nrs. 18 en 76.
27 Snijders/Wendels, 2009, nr. 223, p. 206.
28 Soms beschermt de devolutieve werking ook de appellant, aldus C.A. Streefkerk in zijn bespreking van de tweede druk van Snijders/Wendels in Trema 2000, nr. 6. Zie over de wenselijkheid daarvan ook H.W. Wiersma in zijn noot in JBPr 2003, 4 onder HR 1 november 2002.
29 Ook in een geval waarin een procespartij wordt toegelaten tot het bewijs van een stelling is sprake van een bewijsopdracht.
30 MvG 16 december 1999, B-dossier, stuk 12 met toelichting onder nr. 16 e.v. en 29.
31 Zie HR 14 december 1973, LJN AC3890 (NJ 1974, 347 met - kritische - noot van W.L. Haardt); HR 16 oktober 1992, LJN ZC0721 (NJ 1992, 791); HR 8 juni 2001, LJN AB2019 (NJ 2001, 432) en HR 9 mei 2003, LJN AF4606 (NJ 2005, 168).
32 Zie de noot van Ras onder HR 24 september 1993, LJN ZC1073 (NJ 1994, 299), die constateert dat daarmee wordt afgeweken van de door Haardt gedane suggestie in diens annotatie van HR 14 december 1973, NJ 1974, 347.
33 HR 16 oktober 1992, LJN ZC0721.
34 Zie over het begrip 'de goede procesorde' in deze context V.C.A. Lindijer, De goede procesorde, diss. 2006, par. 6.4; J.C.M. Leijten in zijn noot (JBPr 2003/56) onder HR 9 mei 2003, LJN AF4606, en mijn conclusie vóór dit arrest, onder 2.12.
35 Zie over de strategie van het instellen van tussentijds appel A-G Vranken in zijn conclusie vóór HR 24 september 1993, LJN ZC1073, onder 19.
36 LJN ZC0721 (NJ 1992, 791).
37 Zie HR 24 september 1993, LJN ZC1073 (NJ 1994, 299 m.nt. H.E. Ras), rov. 3.2.
38 In zijn conclusie vóór HR 24 september 1993, LJN ZC1073 (NJ 1994, 299) onder 17.
39 Vgl. Hovens, Civiel appèl, p. 93.
40 Zie de feitelijke vaststelling van de inhoud van de grieven van [eiseres] door het hof in zijn tussenarrest van 27 november 2007, rov. 7 en 8.
41 Vgl. A-G Vranken in zijn conclusie vóór HR 24 september 1993, LJN ZC1073, onder 19.
42 Het middel verwijst naar de bijlage van mr. Veldhuijzen van 18 september 2003.
43 Het middel wijst erop dat deze notitie is overgelegd als prod. 3 bij de mva.
44 Het middel verwijst naar de conclusie na enquête van 15 september 2004 onder 5 en de mvg onder 15-19. Het verwijst voor "de betreffende tekst" naar de brief van mr. Veldhuijzen van 18 september 2003 onder 3.
45 Het verwijst naar de mvg onder 5 en 6.
46 Het middel verwijst naar de conclusie na enquête van 15 september 2004 onder 4-6 en de mva onder 38-40.