ECLI:NL:PHR:2012:BU3438

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04457
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting betaling telefoonrekeningen en nakoming betalingsregeling

Deze zaak betreft een geschil tussen eiser en KPN over de betaling van telefoonrekeningen en de nakoming van een betalingsregeling. Eiser had een overeenkomst met KPN voor een telefoonaansluiting en ontving twee facturen met een totaalbedrag van €425,49. KPN en eiser kwamen een betalingsregeling overeen, maar eiser kwam deze niet na.

KPN vorderde betaling van de facturen, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Eiser stelde dat hij een bedrag van €299,86 had betaald dat betrekking had op een van de facturen. De kantonrechter verwierp dit verweer omdat onvoldoende was aangetoond dat de betaling daadwerkelijk was gedaan en dat deze betrekking had op de facturen.

Eiser stelde in cassatie dat de kantonrechter geen rekening had gehouden met zijn betaling en dat een nieuwe ingebrekestelling vereist was na het niet nakomen van de betalingsregeling. De Hoge Raad oordeelde dat de kantonrechter wel degelijk rekening had gehouden met de betaling, maar dat onvoldoende bewijs was geleverd. De stelling over de ingebrekestelling werd als novum in cassatie verworpen.

Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro, waarbij een verkorte conclusie volstond.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter bevestigd.

Conclusie

Zaak 10/04457
Mr. P. Vlas
Zitting, 4 november 2011
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
KPN B.V.
1. Deze zaak betreft een geschil over de betaling van telefoonrekeningen. De zaak komt naar mijn mening in aanmerking voor toepassing van art. 81 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. Tussen partijen staat vast dat eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) met verweerster in cassatie (hierna: KPN) een overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan [eiser] een telefoonaansluiting van KPN in gebruik had. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft KPN aan [eiser] twee facturen (van 23 maart 2007 en van 24 mei 2007) gestuurd met een totaalbedrag van € 425,49. KPN is met [eiser] een betalingsregeling overeengekomen, welke door [eiser] niet is nagekomen.
3. Bij dagvaarding van 29 december 2008 heeft KPN van [eiser] betaling van deze facturen gevorderd, alsmede betaling van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. [Eiser] heeft hiertegen verweer gevoerd door te stellen dat hij op 12 april 2007 een bedrag van € 299,86 heeft betaald aan KPN, welke betaling naar hij stelt ziet op de factuur van 23 maart 2007 die betrekking heeft op de periode van 19 januari tot en met 18 maart 2007.
4. Bij vonnis van 29 juli 2009 heeft de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, het verweer van [eiser] verworpen, omdat dit onvoldoende is onderbouwd. De kantonrechter heeft daartoe in rov. 5.1 overwogen dat de betaling van € 299,86 op 12 april 2007 is geschied en daarom heeft plaatsgevonden op een datum die nog geen betrekking kan hebben op de factuur van 24 mei 2007. Bovendien heeft de kantonrechter overwogen dat onvoldoende is aangetoond dat die betaling feitelijk is gedaan en dat deze betrekking heeft op (een van) deze facturen (van 23 maart 2007 en van 24 mei 2007), omdat het betaalde bedrag niet overeenkomt met het bedrag van een van beide facturen of het totaal daarvan. De kantonrechter heeft [eiser] veroordeeld tot betaling aan KPN van € 425,49, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft de kantonrechter afgewezen.
5. [Eiser] heeft tegen dit vonnis (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Tegen KPN is in cassatie verstek verleend.
6. Het middel van cassatie voert aan dat rov. 5.1., 5.2 en rov. 5.4 in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn, omdat geen rekening is gehouden met de door [eiser] op 12 april 2007 gedane betaling van € 299,86. Deze betaling heeft, aldus het middel, betrekking op een factuur van 24 januari 2007. Het middel betoogt voorts dat door de omstandigheid dat [eiser] de betalingsregeling niet meer is nagekomen, een (nieuwe) ingebrekestelling is vereist, maar dat van een zodanig stuk niet is gebleken. De kantonrechter heeft, aldus het middel, aan dit aspect geen kenbare aandacht besteed.
7. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Nog daargelaten dat, anders dan het middel vermeldt, zich in de gedingstukken geen factuur van 24 januari 2007 bevindt, heeft de kantonrechter in rov. 5.1 wel degelijk rekening gehouden met de op 12 april 2007 gedane betaling van € 299,86. De kantonrechter heeft daarover echter geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat die betaling feitelijk is gedaan en dat deze betrekking heeft op (een van) de facturen (van 23 maart 2007 en van 24 mei 2007).
8. Het middel voert onder 3 aan dat de kantonrechter geen kenbare aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat na het niet (meer) nakomen door [eiser] van de betalingsregeling, een (nieuwe) ingebrekestelling is vereist, waarvan niet is gebleken. Het middel faalt, omdat sprake is van een novum in cassatie. Uit de gedingstukken blijkt niet - het middel noemt ook geen vindplaats - dat de kwestie met betrekking tot een (nieuwe) ingebrekestelling in feitelijke instantie aan de orde is gekomen.
9. Voor het overige voert het middel in de onderdelen 4 en 5 kwesties van feitelijke aard aan die in cassatie niet kunnen worden beoordeeld.
10. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G