ECLI:NL:PHR:2012:BU5244

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04345
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring bedreiging en poging bedreiging met zware mishandeling

In deze zaak stond de vraag centraal of verzoeker zich schuldig had gemaakt aan bedreiging en poging tot bedreiging met zware mishandeling. Het hof had bewezen verklaard dat verzoeker op 6 maart 2007 een gerechtsdeurwaarder had bedreigd en daarnaast in de periode juni tot november 2007 een dreigende brief aan de politie had gezonden met bedreigingen jegens een derde.

Het bewijs bestond voornamelijk uit de verklaring van het slachtoffer, die het bedreigende gedrag en de woorden van verzoeker bevestigde, en de bekentenis van verzoeker zelf. Het hof achtte de verklaring van het slachtoffer voldoende ondersteund door de verklaring van verzoeker, waardoor het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv was gehaald.

Verzoeker voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte had bewezen verklaard dat sprake was van poging tot bedreiging, omdat het opzet ontbrak dat het slachtoffer van de brief op de hoogte zou raken. De Hoge Raad oordeelde dat door het verzenden van de brief aan de politie, verzoeker alles had gedaan wat nodig was om de bedreiging bekend te maken, en dat de kans dat het slachtoffer hiervan op de hoogte zou raken bewust werd aanvaard.

De Hoge Raad vond geen reden om het arrest van het hof te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Daarmee blijft de veroordeling van verzoeker in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor bedreiging en poging tot bedreiging met zware mishandeling blijft in stand.

Conclusie

Nr. 10/04345
Mr Jörg
Zitting 15 november 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Bij arrest van 29 april 2010 is verzoeker door het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, wegens twee gevallen van bedreiging, een poging tot bedreiging en een vernieling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand (proeftijd twee jaar), met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde, en tot een werkstraf van 100 uur (subsidiair 50 dagen hechtenis). Voorts werd de vordering van de benadeelde partij (€ 95,27) toegewezen en werd aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor dit bedrag.
2. Namens verzoeker heeft mr X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgedragen.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de onder 1 bewezenverklaarde bedreiging slechts op de verklaring van één getuige berust.
4. Ten laste van verzoeker is onder 1 bewezen verklaard dat:
"hij op 6 maart 2007 te Vianen [betrokkene 2] heeft bedreigd met enig misdrijf, met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 2] dreigend de woorden toegevoegd: "geen politie en geen aangifte doen. Ik weet je te vinden en ik maak je kapot"."
5. Tot bewijs heeft het hof gebezigd de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 1):
"Voor een beslaglegging was ik op dinsdag 6 maart 2007 bij perceel [a-straat 1] te Vianen. Ik moest zijn bij [verdachte] die daar zou wonen. Ik zag een bestelauto aan komen rijden. Ik vroeg de bestuurder of hij [verdachte] was. Ik hoorde hem zeggen dat hij dat was. Ik zag dat de man uitstapte en naar mij toekwam. Ik zag en voelde dat hij met beide armen op mij insloeg. Even later lukte het mij om de man van mij af te duwen. Ik zag dat hij hierna wegliep. Ik zag dat hij in mijn richting keek en hoorde hem roepen. "Geen politie en geen aangifte doen. Ik weet je te vinden en ik maak je kapot." Ik voelde mij hierdoor bedreigd. De man kwam agressief en wild op mij over".
alsmede de verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 2):
"U vraagt mij naar de aangifte van mishandeling door een gerechtsdeurwaarder op dinsdag 6 maart 2007. Ik heb die man een paar keer geslagen. Ik werd boos en heb eerst die man uit frustratie geslagen."
6. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Verzoeker verklaart op de aangegeven dag agressief tegen de gerechtsdeurwaarder te zijn geweest. Te samen met de verklaring van het slachtoffer staan tijd, plaats en agressie dus wel vast. Voor het bewijs van het uiten van de bedreigende tekst van verzoeker kan de enkele verklaring van het slachtoffer voldoende zijn. In concreto heeft het hof mijns inziens terecht de verklaring van het slachtoffer ondersteund geacht door de verklaring van verzoeker. De stelling dat er een wereld van verschil ligt tussen boos worden en bedreigingen uiten doet daar niet aan af: het slachtoffer verklaart nu eenmaal dat hij deze bedreiging heeft waargenomen, terwijl wat verzoeker verklaart in dat beeld past. Van schending van art. 342, tweede lid, Sv is dus geen sprake.
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte (onder 2B) heeft bewezenverklaard dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot bedreiging. De wil van verzoeker zou niet op het teweegbrengen van een inbreuk op de persoonlijke vrijheid zijn gericht.
9. Bewezen is verklaard dat
"hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 30 november 2007 te Vianen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 1] te bedreigen met zware mishandeling opzettelijk dreigend een brief [heeft](1) gezonden aan de politie Utrecht (district Lekstroom, wijkteam Vianen) met onder meer de volgende woorden:
- "[betrokkene 1] haar smoel wordt ingeslagen"
- "uiteraard nadat de hechtingen in kankerhoer haar rotbek genaaid zijn", zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid".
Verzoeker heeft bekend de brief te hebben geschreven.
10. Terecht wordt in de toelichting opgemerkt dat poging pas kan worden aangenomen indien het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.
Voornemen bij poging is niet anders dan opzet, eventueel in voorwaardelijke vorm.
11. Door het schrijven van en toezenden van de bewuste brief aan de politie - die in het kader van de hulpverleningstaak de geadresseerde op de hoogte had kunnen stellen van de bij de politie binnengekomen, weinig opbeurende, tekst - heeft verzoeker zijnerzijds alles gedaan wat nodig was om de bedreiging eventueel bij het slachtoffer bekend te krijgen. Voor de voltooiing van het delict, in de zin dat het slachtoffer van de bedreiging op de hoogte zou komen, was hij geheel afhankelijk van het optreden van de politie. Ten aanzien van verzoeker is de poging dus voltooid: alleen indien hij onverwijld na de toezending van de brieven deze bij de politie had teruggevraagd zou men anders kunnen redeneren. De kans dat het slachtoffer van de bedreiging op de hoogte zou geraken was aanmerkelijk en heeft verzoeker welbewust op de koop toegenomen.
12. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 In de bewezenverklaring ontbreekt een hulpwerkwoord.