1 De cassatiedagvaarding en s.t. vermelden "[verweerster]".
2 Zie rov. 1.1 - 1.7 van het in cassatie bestreden arrest, in verbinding met rov. 2.1 - 2.6 van het vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 4 juni 2008.
3 Zie de kadastrale tekening, overgelegd als prod. 3 bij brief van 18 februari 2008 aan de rechtbank.
4 De oorspronkelijke eisvermeerdering behelsde tevens een verklaring voor recht dat een buurweg bestaat ten behoeve van voet- en fietsverkeer van en naar de [a-straat]. Bij rolarrest van 16 juni 2009 heeft het hof deze eisvermeerdering afgewezen op de grond dat [eiser] tijdens de op 28 november 2008 gehouden comparitie vóór memorie van grieven zijn vorderingen betreffende een uitweg naar de [a-straat] had prijsgegeven en de eisen van de goede procesorde zich ertegen verzetten dat hij hier op terug komt.
5 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 9 juni 2010.
6 Zie o.m. HR 23 mei 1913, NJ 1913, 741; HR 3 december 1965 (LJN: AB6780) NJ 1967, 41, m.nt. JHB; HR 23 mei 1975 (LJN: AC5587) NJ 1976, 490, m.nt. WMK; HR 12 februari 1999 (LJN ZC2847) NJ 2000, 17 m.nt. WMK, en HR 15 september 2006 (LJN: AX9402) NJ 2006, 506. Zie verder o.a. Pitlo/Brahn, Zakenrecht (1987), p. 282-283; Asser-Beekhuis II Zakenrecht (1990), nr. 180, 181; R.J.J. van Acht, Wat was de buurweg?, WPNR 6030 (1991), p. 897; K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden (2001), p. 101; J.G. Gräler, Mandeligheid (2007), par. 28.6, en Wibbens-de Jong, Mon. BW B-26 (2009), p. 20.
7 Vgl. Asser-Beekhuis II Zakenrecht (1990), nr. 181; R.J.J. van Acht, WPNR 6030 (1991), p. 897. Zie ook K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden (2001), p. 101-102; plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense, conclusie voor HR 15 september 2006 (LJN: AX9402) NJ 2006, 506 (onder 8).
8 Vgl. de verwijzing in het middelonderdeel naar p. 3 onder c) en e) van de cassatiedagvaarding.
9 Zie ook s.t. zijdens [eiser] onder 2.3-2.4.
10 Het hof noteerde in rov. 1.5 als vaststaand feit dat ook een aantal andere omwonenden in het verleden gebruik maakte van de mogelijkheden om via het perceel van [verweerster] naar de [b-straat] te gaan.
11 Zie de verwijzing naar dit bewijsaanbod op p. 3, onder d), van de cassatiedagvaarding.
12 Het aanbod ziet kennelijk op de verklaringen van [betrokkene 7] en [betrokkene 8], overgelegd als prod. 1 bij brief van 18 februari 2008 aan de rechtbank, die betrekking hebben op het gebruik van de weg door de familie [van eiser].
13 Aldus Asser-Beekhuis II Zakenrecht (1990), nr. 180. De buurman behoeft niet rechthebbende te zijn op een perceel dat direct aan de buurweg grenst. Ook de rechthebbende op een achterliggend perceel kan 'buur' zijn, als hij de weg over het tussenliggend perceel krachtens een eigen zakelijk recht kan bereiken; zie HR 10 november 1932, NJ 1933, 170. In Rb Utrecht 5 december 2007 (LJN: BC0288), NJF 2008, 96 werd als buur aangemerkt degene aan wie (althans wiens rechtsvoorganger) uitdrukkelijke toestemming is verleend om de buurweg via een tussenliggend perceel te bereiken; zie ook Wibbens-de Jong, Mon. BW B-26, p. 21 (slotalinea).
14 Zie HR 5 juni 1914, NJ 1914, 845. Zie verder: R.J.J. van Acht, WPNR 6030 (1991), p. 897, i.h.b. voetnoot 18 en Gräler, Mandeligheid (2007), p. 324-325. Waar de strekking van de buurweg is de percelen, ten behoeve waarvan hij bestaat, beter aan hun bestemming te doen beantwoorden, mogen ook personeel en bezoekers van die percelen de buurweg benutten; zie HR 25 februari 1937, NJ 1937, 674 alsmede Asser-Beekhuis II Zakenrecht (1990), nr. 182, en Gräler, Mandeligheid (2007), p. 325. Vgl. Hof Arnhem 24 juni 2008 (LJN: BG1606), rov. 4.4.
15 Zie ook s.t. zijdens [eiser], onder 2.11.
16 Zie o.m. HR 3 december 1965 (LJN:AB6780) NJ 1967, 41 m.nt. JHB; HR 12 februari 1999 (LJN: ZC2847) NJ 2000, 17, m.nt. WMK.