ECLI:NL:PHR:2012:BU6921
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak onttrekking minderjarige wegens ontbreken wettig gezag bij interlandelijke adoptie
Verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en gebruikmaking van een valse geboorteakte, maar vrijgesproken van onttrekking aan het wettig gezag van een minderjarige. Het hof oordeelde dat niet vast te stellen was wie het wettig gezag over het kind uitoefende in de relevante periode, waardoor het ontbreken van bewijs van wettig gezag een bewezenverklaring van onttrekking in de weg stond.
Het OM stelde in cassatie dat het ontbreken van een officiële adoptieprocedure en het omzeilen van het Haags adoptieverdrag leidde tot onttrekking aan het wettig gezag. De Hoge Raad overwoog echter dat het delict van onttrekking aan wettig gezag vereist dat vaststaat dat er daadwerkelijk wettig gezag of bevoegd opzicht bestond en dat verdachte het kind daaraan onttrok.
Ook de stelling dat het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) een andere uitleg van art. 279 Sr Pro zou vereisen, werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het Haags adoptieverdrag geen directe werking heeft en dat art. 279 Sr Pro niet van toepassing is als niet vaststaat wie het wettig gezag uitoefent.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde daarmee de vrijspraak van onttrekking aan het wettig gezag, terwijl de veroordeling voor valsheid in geschrift en gebruikmaking van een vals document in stand bleef.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van onttrekking aan het wettig gezag wegens ontbreken van vaststelling wie het gezag uitoefende.