ECLI:NL:PHR:2012:BU7252
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onvoldoende bewijs voor geldlening tussen vader en zoon
In deze zaak stond centraal of de vader een geldlening had verstrekt aan zijn zoon ter hoogte van f 111.800,-. Het hof had geoordeeld dat de vader het vereiste bewijs niet had geleverd dat er een overeenkomst van geldlening was gesloten, mede omdat de financiële hulpverlening waarschijnlijk via kapitaalinbreng van de moeder in de commanditaire vennootschap [A] C.V. was verlopen.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel de vader financiële steun had geboden, dit niet automatisch een geldlening impliceert. Het hof had terecht vastgesteld dat de stellingen van de vader ontoereikend waren om aan te nemen dat hij een geldleningsovereenkomst met zijn zoon had gesloten. Ook het feit dat de vader inventaris voor het fitnesscentrum had bekostigd, vormde geen bewijs voor een geldlening.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten en bevestigde het oordeel van het hof. De zaak illustreert het belang van voldoende bewijs voor het aannemen van een geldlening, vooral wanneer sprake is van complexe financiële relaties binnen familiebedrijven en commanditaire vennootschappen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vader onvoldoende bewijs had geleverd voor een geldleningsovereenkomst met zijn zoon.