ECLI:NL:PHR:2012:BU7357

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 339 RvArt. 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep in executiegeschil over dwangbevel waterschapsbelasting

In deze zaak gaat het om een executiegeschil waarbij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier dwangbevelen heeft uitgevaardigd tegen de belastingplichtige voor aanslagen waterschapsbelasting over meerdere jaren. Na betekening van de dwangbevelen is beslag gelegd op goederen in de woning van de belastingplichtige. De rechtbank verklaarde het verzet van de belastingplichtige en zijn echtgenote tegen het Hoogheemraadschap niet-ontvankelijk.

De belastingplichtige en zijn echtgenote stelden vervolgens hoger beroep in tegen deze beslissing, maar het gerechtshof verklaarde dit hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld met het middel dat het hoger beroep wel tijdig was ingediend, omdat de memorie van antwoord niet tijdig bij hun advocaat was aangekomen.

De Hoge Raad oordeelt dat de termijn voor hoger beroep drie maanden bedraagt vanaf de dag van uitspraak van het vonnis en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep te laat was ingesteld. De omstandigheid dat de memorie van antwoord niet tijdig werd ontvangen, brengt geen verandering in de termijnberekening. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Conclusie

10/02398
Mr. F.F. Langemeijer
2 december 2011
Conclusie inzake:
[Eisers]
tegen
de ambtenaar van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier belast met de invordering
1. In dit executiegeschil wordt volstaan met een verkorte conclusie. Het Hoogheemraadschap heeft op 19 juli 2005 respectievelijk op 12 oktober 2006 dwangbevelen uitgevaardigd tegen de huidige eiser tot cassatie (hierna: de belastingplichtige) ter zake van aanslagen waterschapsbelasting in een aantal opeenvolgende jaren. Na betekening van die dwangbevelen heeft een belastingdeurwaarder ter executie beslag gelegd op goederen in de woning van de belastingplichtige. Bij vonnis van 5 maart 2008 heeft de rechtbank te Alkmaar de belastingplichtige niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet, gericht tegen het Hoogheemraadschap(1).
2. Vervolgens hebben de belastingplichtige en zijn echtgenote de ambtenaar van het Hoogheemraadschap, belast met de invordering, in verzet gedagvaard. Bij vonnis van 25 februari 2009 (LJN: BI1239) heeft de rechtbank te Alkmaar het verzet van elk der echtgenoten ongegrond verklaard.
3. De belastingplichtige en zijn echtgenote hebben bij dagvaarding van 14 juli 2009 tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 23 februari 2010, nr. 200.038.673/01, heeft het hof hen in dit hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het te laat was ingesteld.
4. De belastingplichtige en zijn echtgenote hebben tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld tegen genoemd arrest. Het middel klaagt dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, het hoger beroep binnen de wettelijke termijn is ingesteld. Ter toelichting is aangevoerd dat de memorie van antwoord in de appelprocedure (het kantoor van) de advocaat van de belastingplichtige en zijn echtgenote niet tijdig heeft bereikt, zodat zij daarop niet hebben kunnen reageren.
5. Art. 339 Rv Pro bepaalt dat de termijn van hoger beroep drie maanden is, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis. Het vonnis is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009. Het middel bestrijdt niet de vaststelling van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep eerst op 14 juli 2009 is uitgebracht. Het hof heeft op die grond mogen beslissen dat het hoger beroep te laat is ingesteld. De gestelde - in cassatie overigens niet vaststaande - omstandigheid dat de memorie van antwoord hun advocaat niet tijdig heeft bereikt, brengt hierin geen verandering: de controle op de beroepstermijn verricht de rechter ambtshalve.
6. De slotsom is dat het middel faalt. Toepassing van art. 81 R.O. wordt in overweging gegeven.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Onder verwijzing naar HR 31 januari 2003, NJ 2003/213.
2 23 mei 2010 viel op 1e Pinksterdag, waarna 25 mei 2010 de eerstvolgende werkdag was (art. 1 Algemene Pro termijnenwet).