ECLI:NL:PHR:2012:BU7371

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00191 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 23 lid 4 SvArt. 23 lid 5 SvArt. 36e SrArt. 74 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens ontoereikende motivering en schending procesorde bij beslaglegging

Deze zaak betreft het beklag tegen conservatoir beslag gelegd onder klager op een vordering en twee geldbedragen in verband met verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank verklaarde het beklag tegen het beslag op de vordering en geldbedragen ongegrond, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden ontnomen. De rechtbank baseerde zich op een rechter-commissarismachtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO), die echter niet tijdig bij de gedingstukken was gevoegd.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan alle vereisten voor het beslag was voldaan, met name de aanwezigheid van een verdenking die een geldboete van de vijfde categorie rechtvaardigt. Tevens is de rechtbank in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde gehandeld door zich te baseren op een stuk dat pas na sluiting van het onderzoek werd ingebracht, zonder klager de mogelijkheid te geven zich hierover uit te laten.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden vonnis voor zover het het beslag betreft en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof te 's Hertogenbosch voor hernieuwde beoordeling. Andere onderdelen van het beroep worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor zover het beslag betreft en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 11/00191 B
Mr. Vellinga
Zitting: 6 december 2011
Conclusie inzake:
[Klager 3]
1. Bij beschikking van 29 oktober 2010 heeft de Rechtbank 's Hertogenbosch het beklag strekkende tot opheffing van het ten laste van klager gelegde beslag op een onroerend goed gegrond verklaard, het beklag strekkende tot opheffing van het op de voet van art. 94a Sv onder klager gelegde beslag op een vordering en twee geldbedragen ongegrond verklaard, en het beklag strekkende tot opheffing van het beslag op een aantal - ten tijde van de beslissing van de Rechtbank reeds aan klager teruggegeven - voorwerpen niet-ontvankelijk verklaard.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/00189B, 11/00190B, 11/00191B en 11/00192B. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens klager hebben mrs. I. Leenders en M.H.W.N. Lammers, advocaten te Breda, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het beroep in cassatie richt zich kennelijk niet tegen de gegrondverklaring van het beklag tegen het beslag op een onroerend goed.
5. Deze zaak heeft betrekking op het volgende. Op de voet van art. 94 Sv Pro is onder klager beslag gelegd op een aantal voorwerpen zoals een mobiele telefoon en VISA-cards, op de voet van art. 94a Sv is ten laste van klager conservatoir beslag gelegd op aan hem toebehorend onroerend goed, op een vordering op [betrokkene 8] en op een tweetal geldbedragen. De beslagen zijn gelegd in verband met de verdenking van klager van valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.
6. Het eerste middel heeft kennelijk betrekking op het beslag van op de voet van art. 94 Sv Pro inbeslaggenomen voorwerpen.
7. Het beklag ter zake van de op de voet van art. 94 Sv Pro inbeslaggenomen voorwerpen, is door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat die voorwerpen inmiddels waren teruggegeven. Derhalve kan dit middel bij gebrek aan belang buiten bespreking blijven
8. De middelen 2 en 4 klagen over ontoereikende motivering van de beslissing van de Rechtbank over het beklag tegen het op de voet van art. 94a Sv onder klager gelegde beslag op een vordering en twee geldbedragen.
9. De Rechtbank heeft haar beslissing - voor zover hier van belang - als volgt gemotiveerd:
"In openbare raadkamer is namens klager aangevoerd dat er in verband met het reeds gevolgde fiscale traject niet meer strafrechtelijk kan worden ontnomen, zodat het gelegde conservatoir beslag op de vordering ter waarde van € 212.875,71 op [betrokkene 8] en de (contante) geldbedragen van € 45.205,- en € 108,03 in Macedonische denar moet worden opgeheven en deze voorwerpen aan klager moeten worden geretourneerd. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de opheffing van het conservatoir beslag ter zake van de vordering en de geldbedragen, vanwege het lopende SFO en de aangekondigde ontnemingszaak tegen klager. De rechtbank is van oordeel dat het recht van verhaal voor de voordeelsontneming moet worden bewaard, nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter (later oordelend) in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel - voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de vordering en de contante geldbedragen in de huidige optiek van de rechtbank zal ontstijgen - zal willen ontnemen en waarvoor de voortzetting van deze inbeslagneming noodzakelijk is. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift voor wat betreft de vordering en de geldbedragen ongegrond verklaren."
10. In zijn beschikking van 28 september 2010, LJN BL2823, 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis overwoog de Hoge Raad - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten -:
"Art. 94a Sv: toetsingsmaatstaven
2.14. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
2.15. Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet."
11. Klager komt als beslagene op tegen een beslag als bedoeld in art. 94a Sv. De Rechtbank had dus dienen te toetsen aan de door de Hoge Raad onder 2.14 vermelde maatstaf. De Rechtbank heeft in haar oordeel weliswaar het aldaar onder b weergegevene betrokken, maar nagelaten te toetsen aan de voorwaarde als genoemd onder a. De beslissing van de Rechtbank is dan ook ontoereikend gemotiveerd.
12. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen overigens in het kader van de middelen naar voren is gebracht geen bespreking behoeft.
13. De middelen slagen.
14. Het derde middel strekt ten betoge dat de Rechtbank niet zonder meer voorbij had mogen gedaan aan het verweer(1) dat het voordeel dat de Staat wenst te ontnemen reeds wordt ontnomen door een naheffing en 100% boete over de teelt op stam. Daarbij wordt gewezen op het bepaalde in art. 74 Awr Pro, luidende:
"Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindt artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing."
15. De Rechtbank heeft aan bedoeld verweer in haar beschikking geen aandacht geschonken hoewel hetgeen zijdens klager werd gesteld gelet op het bepaalde in art. 74 Awr Pro aan ontneming in de weg zou kunnen staan. Derhalve is de beslissing van de Rechtbank onvoldoende met redenen omkleed.
16. Het middel slaagt.
17. Het vijfde middel klaagt dat de Rechtbank heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, omdat zij haar oordeel mede heeft gebaseerd op een stuk dat pas na sluiting van het onderzoek aan de stukken van het geding is toegevoegd.
18. Het middel heeft het oog op het volgende. Bij aanvullend klaagschrift is aangevoerd dat de machtiging van de rechter-commissaris tot het instellen van een SFO zich niet bevindt bij de stukken van het geding. Bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer voert de officier van justitie te dier zake aan:
"In september 2009 is een machtiging afgegeven door rechtercommissaris mr. P.A. Buijs voor het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) ter zake van klager. Deze machtiging maakt deel uit van de betrekkelijke stukken."
19. Vervolgens overweegt de Rechtbank:
"In het beklag wordt gesteld dat het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) ter zake van klager niet rechtsgeldig is ingesteld, nu er geen machtiging door de rechter-commissaris is afgegeven. De officieren van justitie hebben in openbare raadkamer slechts aangevoerd dat er weldegelijk een machtiging door de rechter-commissaris is afgegeven. De rechtbank is met klager van oordeel dat een dergelijke machtiging een belangrijke waarborg is. Na contact met mr. P.A. Buijs, rechter-commissaris in bovenstaande rechtbank, bleek het de rechtbank dat er op 23 juli 2009 op vordering van de officier van justitie van 8 juli 2009 een (met redenen omklede) machtiging door de rechter-commissaris is afgegeven onder parketnummer 01/99751 1-09, zodat het SFO ter zake van klager rechtsgeldig is ingesteld."
20. Uit een en ander, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat de machtiging tot het instellen van een SFO zich ten tijde van de behandeling van het klaagschrift niet bevond onder de gedingstukken en dat de Rechtbank zich na afloop van de behandeling tot de rechter-commissaris heeft gewend om van deze zekerheid te verkrijgen over het bestaan van de onderwerpelijke machtiging.
21. Door deze wijze van handelen heeft de Rechtbank aan procespartijen, in het bijzonder klager, de gelegenheid ontnomen zich uit te laten over bedoelde machtiging. Daarmee heeft de Rechtbank gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder met het beginsel dat partijen zich moeten kunnen uitlaten over alle stukken die de Rechtbank bij het nemen van haar beslissing ter beschikking heeft en/of aan haar beslissing ten grondslag legt. Voorts komt door de handelwijze van de Rechtbank het bepaalde in art. 23 lid 4 Sv Pro ten aanzien van bedoelde machtiging niet tot zijn recht. Daarbij teken ik aan dat zich hier niet het geval voordoet dat het onderhavige stuk aan klager in het belang van het onderzoek is onthouden (art. 23 lid 5 Sv Pro).
22. Het middel slaagt.
23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het beklag ongegrond is verklaard en in zoverre tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, p. 2