ECLI:NL:PHR:2012:BU7373

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00192 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 447.2 SvArt. 74 AWRArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing inzake beslaglegging bij verdenking valsheid in geschrift en witwassen

In deze zaak gaat het om het beklag tegen conservatoir beslag gelegd op een bankrekening en een vordering van klaagster, in verband met verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond, maar de Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank niet de juiste toetsingsmaatstaf volledig heeft toegepast en onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het beslag noodzakelijk is.

De Hoge Raad herhaalt de maatstaf die geldt bij beslaglegging ex art. 94a Sv, waarbij moet worden onderzocht of er sprake is van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later ontneming zal opleggen. Ook moet bij derden die eigenaar stellen te zijn van het beslag, worden getoetst of zij daadwerkelijk eigenaar zijn.

De rechtbank heeft deze toets niet volledig toegepast en onvoldoende gemotiveerd waarom het beslag noodzakelijk blijft, mede gelet op art. 74 AWR Pro dat bepaalt dat art. 36e Sr niet van toepassing is op belastingwet strafbare feiten. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op het beslag ex art. 94a Sv en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's Hertogenbosch voor hernieuwde beoordeling.

Uitkomst: Bestreden beschikking wordt vernietigd voor het beslag ex art. 94a Sv en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 11/00192 B
Mr. Vellinga
Zitting: 6 december 2011
Conclusie inzake:
[Klaagster 4]
1. Bij beschikking van 29 oktober 2010 heeft de Rechtbank 's Hertogenbosch het beklag strekkende tot opheffing van het op de voet van art. 94 Sv Pro gelegde beslag op zich onder klaagster bevindende administratie en tot opheffing van het op de voet van art. 94a Sv onder klaagster gelegde beslag op een bankrekening en een vordering ongegrond verklaard.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/00189B, 11/00190B, 11/00191B en 11/00192B. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens klaagster hebben mrs. I. Leenders en M.H.W.N. Lammers, advocaten te Breda, vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Deze zaak heeft betrekking op het volgende. Op de voet van art. 94 Sv Pro is beslag gelegd op de administratie van [klaagster 4], klaagster in de onderhavige zaak, in verband met de verdenking van [klager 3] (klager in de zaak 11/00191B) van valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Voorts is in verband met die verdenking op de voet van art. 94a lid 3 Sv onder diverse (rechts)personen, waaronder klaagster, conservatoir beslag gelegd, in casu op een bankrekening en een vordering, die volgens klaagster aan haar toebehoren.
5. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank heeft overwogen dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag van de op de voet van art. 94 Sv Pro inbeslaggenomen administratie hoewel de Rechtbank niet beschikte over het daartoe benodigde dossier.
6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de onvolledigheid van het dossier blijkt uit de omstandigheid dat de Rechtbank in antwoord op de klacht dat door de rechter-commissaris geen machtiging tot het instellen van een SFO was verstrekt, heeft overwogen dat de officier van justitie slechts heeft aangevoerd dat een dergelijke machtiging was afgegeven. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat het dossier waarover de Rechtbank beschikte onvoldoende was om te oordelen over het op de voet van art. 94 Sv Pro gelegde beslag, dat immers los staat van de instelling van een SFO.
7. Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat de Rechtbank de rechtmatigheid en de proportionaliteit van het op de voet van art. 94 Sv Pro gelegde beslag niet heeft getoetst.
8. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de Rechtbank van een dergelijke toets in haar beschikking had moeten laten blijken ook als ter zake niet is geklaagd. Gelet op het summiere karakter van de procedure in raadkamer(1) en de daarmee verbonden beperkte motiveringseisen is deze opvatting niet juist.
9. Het middel faalt.
10. De middelen 2 en 4 klagen over ontoereikende motivering van de beslissing van de Rechtbank voor wat betreft het op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag.
11. De Rechtbank heeft haar beslissing - voor zover hier van belang - als volgt gemotiveerd:
"In openbare raadkamer is namens klaagster aangevoerd dat er in verband met het reeds gevolgde fiscale traject niet meer strafrechtelijk kan worden ontnomen, zodat het gelegde conservatoir beslag op de vordering ter waarde van € 169.000,- op [A] B.V. en de ING bankrekening moet worden opgeheven en deze voorwerpen aan klaagster moeten worden geretourneerd. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de opheffing van het conservatoir beslag ter zake van de vordering en de bankrekening, vanwege het lopende SFO en de aangekondigde ontnemingszaak tegen klaagster. De rechtbank is van oordeel dat het recht van verhaal voor de voordeelsontneming moet worden bewaard, nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter (later oordelend) in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel - voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de vordering en de bankrekening in de huidige optiek van de rechtbank zal ontstijgen - zal willen ontnemen en waarvoor de voortzetting van deze inbeslagneming noodzakelijk is. Derhalve zal de rechtbank het beklag voor wat betreft de vordering en de bankrekening ongegrond verklaren."
12. In zijn beschikking van 28 september 2010, LJN BL2823, 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis overwoog de Hoge Raad - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten -:
"Art. 94a Sv: toetsingsmaatstaven
2.14. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
2.15. Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet."
13. Klaagster is een derde - tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn van de op de voet van art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen. De Rechtbank had het op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag dus dienen te toetsen aan de door de Hoge Raad onder 2.15 vermelde maatstaven. Dat heeft de Rechtbank niet gedaan. De beslissing van de Rechtbank is in zoverre dan ook ontoereikend gemotiveerd.
14. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen overigens in het kader van de middelen naar voren is gebracht geen bespreking behoeft.
15. De middelen slagen.
16. Het derde middel strekt ten betoge dat de Rechtbank niet zonder meer voorbij had mogen gedaan aan het verweer(2) dat het voordeel dat de Staat wenst te ontnemen reeds wordt ontnomen door een naheffing en 100% boete over de teelt op stam. Daarbij wordt gewezen op het bepaalde in art. 74 Awr Pro, luidende:
"Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindt artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing."
17. De Rechtbank heeft aan bedoeld verweer in haar beschikking geen aandacht geschonken hoewel hetgeen zijdens klaagster werd gesteld gelet op het bepaalde in art. 74 Awr Pro aan ontneming in de weg zou kunnen staan. Derhalve is de beslissing van de Rechtbank onvoldoende met redenen omkleed.
18. Het middel slaagt.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing op het beklag tegen het op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag en in zoverre tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 28 september 2010, BL2823, 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2.
2 Proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, p. 2