ECLI:NL:PHR:2012:BU9217
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsrechtelijke loonvordering afgewezen wegens ontbreken arbeidsovereenkomst en onvoldoende schadeonderbouwing
Eiser vorderde betaling van achterstallig salaris over de periode mei tot en met december 2007, stellende dat hij een arbeidsovereenkomst had gesloten met verweerder of diens vennootschap in oprichting. Verweerder betwistte het bestaan van deze arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wees de vordering af, wat door het hof werd bekrachtigd. Het hof oordeelde dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld waaruit het bestaan van een arbeidsovereenkomst kon worden afgeleid.
Daarnaast voerde eiser subsidiair een onrechtmatige daad aan omdat verweerder de vennootschap niet had opgericht en eiser in de waan had gelaten dat dit wel zou gebeuren. Het hof verwierp ook dit beroep wegens onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade.
De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van het hof een waardering van feiten betreft die in cassatie niet kan worden herzien. Ook de motiveringsklachten van eiser slagen niet omdat deze onvoldoende concreet zijn en niet leiden tot onbegrijpelijkheid van het hofarrest. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de loonvordering wordt afgewezen wegens ontbreken van een arbeidsovereenkomst en onvoldoende schadeonderbouwing.