ECLI:NL:PHR:2012:BU9217

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05419
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsrechtelijke loonvordering afgewezen wegens ontbreken arbeidsovereenkomst en onvoldoende schadeonderbouwing

Eiser vorderde betaling van achterstallig salaris over de periode mei tot en met december 2007, stellende dat hij een arbeidsovereenkomst had gesloten met verweerder of diens vennootschap in oprichting. Verweerder betwistte het bestaan van deze arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wees de vordering af, wat door het hof werd bekrachtigd. Het hof oordeelde dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld waaruit het bestaan van een arbeidsovereenkomst kon worden afgeleid.

Daarnaast voerde eiser subsidiair een onrechtmatige daad aan omdat verweerder de vennootschap niet had opgericht en eiser in de waan had gelaten dat dit wel zou gebeuren. Het hof verwierp ook dit beroep wegens onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade.

De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van het hof een waardering van feiten betreft die in cassatie niet kan worden herzien. Ook de motiveringsklachten van eiser slagen niet omdat deze onvoldoende concreet zijn en niet leiden tot onbegrijpelijkheid van het hofarrest. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de loonvordering wordt afgewezen wegens ontbreken van een arbeidsovereenkomst en onvoldoende schadeonderbouwing.

Conclusie

10/05419
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 16 december 2011
CONCLUSIE inzake:
[Eiser],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
tegen:
[Verweerder],
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Bij inleidende dagvaarding heeft thans eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) gevorderd dat de rechtbank Almelo, sector kanton (hierna: de kantonrechter) thans verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) uit hoofde van een arbeidsovereenkomst veroordeelt tot betaling van € 32.000,- wegens achterstallig (bruto)salaris over de maanden mei tot en met december 2007.
2. [Eiser] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] met ingang van 1 april 2007 voor bepaalde tijd (t/m 31 december 2007) voor een bruto maandsalaris van € 4.000,- in loondienst zou treden van een door [verweerder] op te richten vennootschap Aquadruk BV i.o.. [Verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst bevestigd in een e-mail van 20 maart 2007. In de periode vanaf 1 april 2007 heeft [eiser] de bedongen werkzaamheden verricht, waaronder het opzetten van een eenmanszaak in [plaats] onder de naam Aquadruk. Nu [verweerder] Aquadruk BV i.o. niet daadwerkelijk heeft opgericht, is hij in privé gehouden tot nakoming van de arbeidsovereenkomst. Met de nakoming van deze verplichtingen is [verweerder] in gebreke gebleven, behoudens de betaling in juni 2007 van een netto maandsalaris van € 2.603,56, aldus [eiser]. [Verweerder] heeft betwist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.
3. Bij vonnis van 26 augustus 2008 heeft de kantonrechter de vordering afgewezen.
4. In hoger beroep heeft [eiser], onder aanvoering van een subsidiaire grondslag voor zijn vordering, gevorderd dat het gerechtshof Arnhem primair het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, zijn oorspronkelijke vordering alsnog toewijst, en subsidiair [verweerder] uit hoofde van onrechtmatige daad veroordeelt tot betaling van een bedrag ad € 32.000,- als schadevergoeding voor het niet genoten salaris van [eiser] over de maanden mei tot en met december 2007. Hij heeft aan zijn beroep op onrechtmatige daad ten grondslag gelegd dat [verweerder] in strijd met de afspraken en zonder dit mede te delen, Aquadruk BV i.o. niet heeft opgericht, maar [eiser] wel in de waan heeft gelaten dat tot oprichting zou worden overgegaan.
5. Bij arrest van 25 mei 2010 heeft het hof met betrekking tot de primaire grondslag ('arbeidsovereenkomst') geoordeeld dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat tussen [verweerder] dan wel [A] (al dan niet handelend namens Aquadruk BV i.o.) enerzijds en [eiser] anderzijds een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten (rov. 4.5 t/m 4.11). Met betrekking tot de subsidiaire grondslag ('onrechtmatige daad') heeft het hof geoordeeld dat - ook in het geval sprake zou zijn van een onrechtmatig handelen van [verweerder] dan wel [A] - het beroep daarop faalt omdat [eiser] de door hem gestelde schade niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 4.13).
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
6. Het door [eiser] tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich blijkens onderdeel 1 tegen rov. 4.3 t/m 4.13, de daarop voortbouwende rov. 4.14 en 4.15 alsmede het dictum van het bestreden arrest.
7. De in onderlinge samenhang te lezen onderdelen 2 t/m 8 (zie s.t. onder 2.1) zijn gericht tegen de rov. 4.7 t/m 4.11, waarin het hof tot het oordeel komt dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat een arbeidsovereenkomst is gesloten. Geklaagd wordt dat deze overwegingen zijn gebaseerd op gronden welke die overwegingen en de daarin vervatte oordelen niet kunnen dragen.
8. Bij de beoordeling van deze klacht staat voorop dat het oordeel van het hof dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de gestelde arbeidsovereenkomst is gesloten, berust op een waardering van feiten en omstandigheden die aan de feitenrechter is voorbehouden en daarom in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht.(1)
Voor zover met de onderdelen 2 t/m 6 wordt beoogd de aan het oordeel van het hof ten grondslag liggende beslissingen of overwegingen met motiveringsklachten te bestrijden, voldoen deze niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen van bepaaldheid en precisie. In plaats van aan te geven welke beslissingen of overwegingen onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zijn en waarom(2), tracht het middel aan de hand van een opsomming van feiten en stellingen - bij het merendeel waarvan niet is vermeld waar deze in feitelijke aanleg zijn vastgesteld respectievelijk betrokken - Uw Raad te bewegen tot een hernieuwde feitelijke beoordeling waarvoor in cassatie geen plaats is. Het oordeel van het hof, dat mede berust op een aantal in het middel opgesomde feiten en uitgangspunten(3), is geenszins onbegrijpelijk.
Voor zover in onderdeel 7 afzonderlijk wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.9) dat [eiser] zijn stelling dat [verweerder] hem meermalen heeft toegezegd het salaris te voldoen onvoldoende heeft onderbouwd, faalt dit onderdeel eveneens. Genoemd oordeel wordt niet onbegrijpelijk in het licht van de in het middel aangevoerde stelling dat (uit een aantal in het geding gebrachte e-mails blijkt dat) [eiser] diverse keren getracht heeft telefonisch contact met [verweerder] te krijgen. Anders dan het onderdeel stelt, behoefde het hof dan ook niet in te gaan op het bewijsaanbod ter zake.
9. De eveneens in onderlinge samenhang te lezen onderdelen 9 t/m 11 (zie s.t. onder 2.7) richten zich tegen de verwerping van het (subsidiaire) beroep op onrechtmatig handelen van [verweerder] op de grond dat [eiser] de door hem gestelde schade niet althans onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 4.13).
10. Daartoe wordt, zo begrijp ik, meer in het bijzonder opgekomen tegen het oordeel van het hof dat [eiser] zijn stelling dat hij allerlei werkzaamheden voor [verweerder] heeft verricht ten behoeve van de op te richten vennootschap Aquadruk BV, onvoldoende (met relevante bescheiden) heeft onderbouwd, en dat het op zijn weg had gelegen om concreet te stellen dat zijn schade meer omvat dan het door hem in verband met Aquadruk BV (i.o.) van [A] ontvangen bedrag van € 2.603,56, temeer nu vaststaat dat [eiser] gedurende een bepaalde periode wegens ziekte in het geheel geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten.
11. In dit verband wordt in de onderdelen aangevoerd dat [verweerder] [eiser] de beschikking heeft gegeven over een zakelijke telefoonaansluiting op het (werk)adres te [plaats] en heeft toegelaten dat [eiser] werkzaamheden verricht met betrekking tot het opstarten van de productie en contacten onderhoudt met klanten, en dat [eiser] door ziekte slechts korte tijd niet heeft kunnen functioneren (onderdeel 9); voorts dat [eiser] de door hem verrichte werkzaamheden heeft geduid en dat [verweerder] in zijn e-mail van 20 maart 2007 werkinstructies had geschetst (onderdeel 10).
12. Ook in het licht van de in de onderdelen aangevoerde omstandigheden is het oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk; een concrete toelichting welke werkzaamheden [eiser] heeft verricht en hoeveel tijd en kosten hij daaraan heeft besteed, ontbreekt. De onderdelen geven geen vindplaatsen van de (in onderhavig verband) aangevoerde stellingen, terwijl in feitelijke aanleg geen stellingen worden aangetroffen van de strekking dat [eiser] contacten met klanten heeft onderhouden en dat hij "slechts gedurende korte tijd" ziek is geweest.(4) Wat betreft de e-mail van [verweerder] van 20 maart 2007 kan nog worden gewezen op de vaststelling van het hof in rov. 4.7 dat daaruit in geen geval kan worden afgeleid op basis van welke verhouding [eiser] gehouden zou zijn "welke werkzaamheden ten behoeve van wie in welke omvang tegen welke tegenprestatie te verrichten". De onderdelen falen derhalve.
13. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de in het cassatiemiddel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
14. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Vgl. de conclusie van A-G Keus (onder 2.3) vóór HR 26 november 2010 (LJN: BN8536), RvdW 2010/1410, JAR 2011/14; HR 14 juni 1968, NJ 1968/311.
2 Vgl. HR 5 november 2010 (LJN: BN6196), RvdW 2010/1328, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes.
3 Zie bijv. rov. 4.10, eerste volzin, waarop kennelijk wordt gedoeld in middelonderdeel 2, eerste volzin.
4 Vgl. de conclusie van repliek, nrs. 27 en 36-37, alsmede de memorie van grieven, p. 5 (eerste alinea) en p. 8 (eerste en tweede alinea). De stelling dat [eiser] "in juli twee weken lang in het ziekenhuis heeft gelegen" (CvR, nr. 37) sluit niet zonder meer uit dat zijn ziekteperiode langer heeft geduurd, zeker nu hij "een zware hartoperatie onderging" (MvG, p. 5).