ECLI:NL:PHR:2012:BV0638

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04122
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:211 BWArt. 8:219 BWArt. 398 lid 1 KArt. 402 lid 2 RvArt. 339 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens overschrijding cassatietermijn

In deze zaak stond centraal de vraag wanneer een vordering 'in rechte geldend' is gemaakt in de zin van art. 8:219 BW Pro en jegens wie de schuldeiser zijn vordering moet hebben ingediend om de vervaltermijn te stuiten. Dit betrof een vervolg op een eerder arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2009, waarin werd bevestigd dat een niet schriftelijk vastgelegde arbeidsovereenkomst tussen een zeewerkgever en een schepeling nietig is volgens art. 8:211 onder Pro b BW en art. 398 lid Pro 1 K.

De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat aan deze vraag niet toegekomen kon worden omdat het cassatieberoep niet tijdig was ingesteld. De cassatietermijn van acht weken, zoals bepaald in art. 402 lid 2 juncto Pro 339 lid 2 Rv, was overschreden. Het bestreden arrest dateerde van 18 mei 2010, terwijl de cassatiedagvaarding pas op 17 augustus 2010 was uitgebracht.

Daarom werd het cassatieberoep van Framroad niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest benadrukt het belang van het tijdig instellen van cassatie en de strikte toepassing van de cassatietermijn in kortgedingprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Framroad werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Conclusie

10/04122
Mr. L. Timmerman
Zitting: 6 januari 2012
Conclusie inzake:
Framroad Ltd.
eiseres tot cassatie,
(hierna: Framroad)
Tegen
[Verweerder]
verweerder in cassatie,
Dit cassatieberoep is een vervolg op een op 23 januari 2009 door de Hoge Raad gewezen arrest.(1) In die cassatieprocedure stond de vraag centraal of de niet op schrift gestelde arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en H.W. Gerhardt (hierna: Gerhardt) arbeidsovereenkomst is in de zin van art. 8:211 onder Pro b BW gelet op het vereiste in art. 398 lid Pro 1 K. dat een arbeidsovereenkomst tussen een zeewerkgever en een schepeling op straffe van nietigheid schriftelijk moet worden aangegaan. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag bevestigend. In het voorliggende cassatieberoep ligt de vraag voor wanneer een vordering "in rechte geldend" is gemaakt in de zin van art. 8:219 BW Pro en, in dat verband, jegens wie de schuldeiser zijn vordering in rechte geldend moet hebben gemaakt, wil de vervaltermijn ex art. 8:219 BW Pro gestuit zijn. Aan bespreking van deze vraag kan m.i. worden niet toegekomen, omdat niet tijdig in cassatie is opgekomen tegen het te bestrijden arrest. Het betreft hier een kortgedingprocedure. Ingevolge art. 402 lid 2 juncto Pro 339 lid 2 Rv bedraagt de cassatietermijn acht weken. Het bestreden arrest dateert van 18 mei 2010. De cassatiedagvaarding is eerst op 17 augustus 2010 uitgebracht, (ruimschoots) na het verstrijken van de cassatietermijn. Om die reden dient Framroad niet-ontvankelijk te worden verklaard. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Framroad in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 LJN BG3588, NJ 2009, 71.