ECLI:NL:PHR:2012:BV0638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens overschrijding cassatietermijn
In deze zaak stond centraal de vraag wanneer een vordering 'in rechte geldend' is gemaakt in de zin van art. 8:219 BW Pro en jegens wie de schuldeiser zijn vordering moet hebben ingediend om de vervaltermijn te stuiten. Dit betrof een vervolg op een eerder arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2009, waarin werd bevestigd dat een niet schriftelijk vastgelegde arbeidsovereenkomst tussen een zeewerkgever en een schepeling nietig is volgens art. 8:211 onder Pro b BW en art. 398 lid Pro 1 K.
De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat aan deze vraag niet toegekomen kon worden omdat het cassatieberoep niet tijdig was ingesteld. De cassatietermijn van acht weken, zoals bepaald in art. 402 lid 2 juncto Pro 339 lid 2 Rv, was overschreden. Het bestreden arrest dateerde van 18 mei 2010, terwijl de cassatiedagvaarding pas op 17 augustus 2010 was uitgebracht.
Daarom werd het cassatieberoep van Framroad niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest benadrukt het belang van het tijdig instellen van cassatie en de strikte toepassing van de cassatietermijn in kortgedingprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Framroad werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.