ECLI:NL:PHR:2012:BV0647
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing eigenwoningregeling bij erfpacht en opstalrecht met zakelijke eigendom
Belanghebbende en zijn echtgenote, aandeelhouders van een BV die eigenaar is van hun woning, hadden oorspronkelijk een erfpachtrecht op de woning. Dit recht werd omgezet in een erfpachtrecht op de grond en een afhankelijk opstalrecht op de woning. De Inspecteur weigerde aftrek van de erfpacht- en opstalbetalingen, stellende dat geen sprake was van een eigen woning in fiscale zin.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat belanghebbende de juridische eigendom van de woning had verkregen via het opstalrecht, en dat de eigenwoningregeling van toepassing was. Zij verwierpen de stelling van huuranalogie en concludeerden dat de waardemutaties belanghebbende voldoende aangaan.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het recht op waardeverandering niet uit het opstalrecht zelf voortvloeit maar uit een contractuele afspraak, en dat sprake was van een huuranaloge situatie. De Hoge Raad verwierp deze argumenten, oordeelde dat het opstalrecht wel degelijk eigendom geeft en dat de contractuele afspraken over waardeverandering toelaatbaar zijn. Ook was er geen sprake van huuranalogie, omdat de rechten en lasten bij belanghebbende rusten en het recht is ingeschreven in het Kadaster.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de toepassing van de eigenwoningregeling en onderstreepte het belang van de zakelijke aard van het opstalrecht en de feitelijke eigendom en waardeverandering die belanghebbende toekomt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en de eigenwoningregeling is bevestigd voor de situatie met erfpacht en opstalrecht.