ECLI:NL:PHR:2012:BV0663
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over omkering bewijslast en vergrijpboete bij onjuiste aangifte successierecht
In deze zaak staat centraal de waardering van een terrein in het kader van de successierechtelijke aangifte na het overlijden van erflater. Belanghebbende gaf het terrein aan voor een waarde van €275.000, gebaseerd op een taxatierapport waarin geen rekening werd gehouden met lopende onderhandelingen en een voorwaardelijk bod van €2.475.000. De Inspecteur stelde de waarde vast op €2.350.000 en legde een aanslag met een vergrijpboete van 100% op.
De Rechtbank stelde de waarde vast op €1.000.000 en verklaarde het beroep gegrond. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Het Hof oordeelde dat belanghebbende de vereiste aangifte niet had gedaan, waardoor de bewijslast omkeerde, maar dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet voor het opleggen van een vergrijpboete.
In cassatie werd betoogd dat het Hof innerlijk tegenstrijdig was door enerzijds bewustheid voor omkering van de bewijslast aan te nemen en anderzijds het ontbreken van opzet voor de boete. De Hoge Raad bevestigt dat voor omkering van de bewijslast geobjectiveerde bewustheid volstaat, terwijl voor een vergrijpboete subjectieve bewustheid van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte vereist is.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep en het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond, waarbij het Hof niet buiten zijn beoordelingsruimte is getreden door het ontbreken van voldoende bewijs voor (voorwaardelijk) opzet. De zaak verduidelijkt de criteria voor omkering van de bewijslast en oplegging van vergrijpboetes in fiscale procedures.
Uitkomst: Het beroep in cassatie en het incidentele beroep worden ongegrond verklaard; omkering bewijslast is terecht toegepast, vergrijpboete niet wegens ontbreken van opzet.